Uitleg per groep
Rekenen in groep 7: wat leert je kind? (10 tot 11 jaar)
Groep 7 is de groep van kinderen van 10 tot 11 jaar: de meeste kinderen worden in de loop van het schooljaar 11. Het is het op een na laatste jaar van de basisschool, midden in de bovenbouw. Bij rekenen gebeurt er veel: de getallen groeien tot een miljoen, kommagetallen krijgen drie cijfers achter de komma, en breuken, kommagetallen en procenten gaan steeds meer met elkaar samenhangen. Nieuw is ook de rekenmachine. En op veel scholen hoor je aan het eind van het jaar een eerste indicatie van het schooladvies voor de middelbare school.
Waar werkt je kind aan in groep 7?
In groep 6 werkte je kind met getallen tot 100.000, met kommagetallen tot twee cijfers achter de komma en met breuken als getallen met een teller en een noemer. In groep 7 wordt dat allemaal groter en preciezer. Je kind rekent met getallen tot een miljoen, vergelijkt kommagetallen zoals 4,3 en 4,25, maakt breuken eenvoudiger en telt breuken met dezelfde noemer bij elkaar op. Procenten krijgen een vaste plek: korting in de winkel, een cirkeldiagram in de krant, de batterij van een tablet.
Op papier worden de sommen langer: twee getallen van twee cijfers vermenigvuldigen, zoals 35 × 67, en delen door een getal van twee cijfers. Bij meten komen de hectare, de kubieke meter en de inhoud van een doos erbij, en bij tijd het noteren van datums en het rekenen met honderdsten van seconden. Veel kinderen merken in groep 7 dat rekenen steeds vaker om redeneren vraagt: welke aanpak is hier handig, en klopt mijn antwoord wel?
Wat staat er in groep 7 op het programma?
De overheid legt vast wat elke basisschool moet aanbieden (de kerndoelen) en wat kinderen aan het eind van groep 8 moeten beheersen (de referentieniveaus 1F en 1S). Hoe een school dat over de groepen verdeelt, bepaalt ze zelf, meestal via haar rekenmethode. Dit overzicht volgt de tussendoelen voor groep 7 van SLO, het landelijke expertisecentrum voor het curriculum. Het precieze moment verschilt per school en per rekenmethode, dus kijk vooral naar wat de klas van je kind nu doet. Elk kopje linkt naar een uitgebreide gids over dat onderwerp.
Tellen en getalbegrip
- Getallen tot een miljoen lezen, schrijven, ordenen en vergelijken. In 482.615 staat de 4 voor 400.000 en de 8 voor 80.000.
- De woorden die volwassenen gebruiken: een ton is 100.000, een half miljoen is 500.000, en een miljoen (1.000.000) is tien ton.
- Afronden op een getal dat past bij de situatie: als een stad 371.389 inwoners heeft, zeg je ‘ongeveer 370.000’.
- Springen met grote stappen: 250.000, 500.000, 750.000, 1.000.000.
- Temperaturen onder nul: −4 °C is kouder dan −2 °C, en van −3 °C naar 4 °C is 7 graden warmer.
Optellen en aftrekken
- Optellen en aftrekken met grote getallen, onder de 100.000, uit het hoofd waar het kan en anders op papier.
- Kommagetallen optellen en aftrekken. Uit het hoofd: 1 − 0,25 = 0,75. Op papier: de komma’s recht onder elkaar. Bij 12,75 + 3,8 schrijf je 3,8 als 3,80, zodat de honderdsten onder de honderdsten staan: 12,75 + 3,80 = 16,55.
- Eerst schatten, dan rekenen: 25 − 7,36 is iets minder dan 25 − 7 = 18. Het precieze antwoord is 17,64.
Op papier rekenen kinderen kolomsgewijs (met hele waarden, van links naar rechts) of ze cijferen (cijfer voor cijfer, met ‘onthouden’ en ‘lenen’). Welke manier je kind leert, hangt af van de rekenmethode van de school. Vraag het de juf of meester voordat je thuis een andere manier voordoet. Waarom scholen zo werken, lees je in zo leert je kind rekenen op de basisschool.
Tafels, keer- en deelsommen
- Op papier vermenigvuldigen: een getal van één cijfer keer een getal van drie of vier cijfers (6 × 1245 = 7470), en twee getallen van twee cijfers, zoals 35 × 67 = 2345.
- Delen door een getal van twee cijfers, met de hapmethode of de staartdeling. Schatten helpt: bij 183 : 58 denk je ‘58 is bijna 60, en 3 × 60 = 180’. Inderdaad past 58 drie keer in 183 (3 × 58 = 174), en er blijft 9 over: 183 : 58 = 3 rest 9.
- Keer en gedeeld door 10, 100 en 1000, ook met grote ronde getallen: 80 × 900 = 72.000 en 21.000 : 700 = 30.
- Eenvoudige keer- en deelsommen met kommagetallen: 4 × 2,25 = 9, 12 × 2,5 = 30 en 10 : 2,5 = 4.
- Het gemiddelde uitrekenen: alles optellen en delen door het aantal.
Kolomsgewijs vermenigvuldigen ziet er zo uit. Je kind rekent eerst met de tientallen en daarna met de eenheden, en telt de vier stukken bij elkaar op:
Bij delen door een getal van twee cijfers neemt je kind met de hapmethode steeds een handige ‘hap’ uit het deeltal. Voor 864 : 24 schrijf je 24 / 864 \ en reken je: 20 × 24 = 480, dan blijft er 864 − 480 = 384 over. Nog 10 × 24 = 240, dan blijft er 144 over. En 6 × 24 = 144, dan is alles op. De happen samen: 20 + 10 + 6 = 36, dus 864 : 24 = 36. Terugrekenen: 36 × 24 = 864.
Breuken
- Gelijkwaardige breuken: breuken die even groot zijn, ook al staan er andere getallen: ⅖ = ⁴⁄₁₀ = ⁸⁄₂₀.
- Vereenvoudigen: teller en noemer door hetzelfde getal delen. ⁹⁄₁₂ wordt ¾ (allebei gedeeld door 3).
- Helen eruit halen: ¹⁷⁄₃ = 5 ⅔, want 15 derden zijn 5 helen en er blijven 2 derden over.
- Gelijknamige breuken (breuken met dezelfde noemer) optellen en aftrekken: ²⁄₇ + ⁶⁄₇ = ⁸⁄₇ = 1 ¹⁄₇, en ⅞ − ⅜ = ⁴⁄₈ = ½.
- Breuken vergelijken: ⅓ is groter dan ⅕, want hoe meer stukken, hoe kleiner elk stuk.
- Een breuk van een hoeveelheid: ⅘ van 350 is 280 (350 : 5 = 70, en 4 × 70 = 280).
- Een deling als breuk zien: 2 : 3 is ⅔. En in een situatie: hoeveel bakjes van ¼ liter vul je met 5 liter soep? In 1 liter passen 4 bakjes, dus in 5 liter 20.
Kommagetallen en procenten
- Kommagetallen met drie cijfers achter de komma: tienden, honderdsten en duizendsten. 6,175 = 6 + 0,1 + 0,07 + 0,005.
- Kommagetallen vergelijken: 4,3 is groter dan 4,25, want 4,3 is hetzelfde als 4,30, en 30 honderdsten is meer dan 25 honderdsten.
- Afronden: 3,47 is afgerond op één cijfer achter de komma 3,5, en op een heel getal 3.
- Breuken als kommagetal: ⅕ = 0,2, ¾ = 0,75 en ⅛ = 0,125.
- Procenten tot 100%: procent betekent ‘van de honderd’. Breuken met een noemer als 2, 4, 5, 10, 20, 25, 50 of 100 hangen daar direct mee samen: ³⁄₂₀ = ¹⁵⁄₁₀₀ = 15%, en ⁷⁄₂₅ = ²⁸⁄₁₀₀ = 28%.
- Korting uitrekenen: 25% korting op een jas van € 80 is een kwart van € 80, dus € 20 korting. Je betaalt € 60.
Verhoudingen en patronen
- De verhoudingstabel gebruiken voor prijzen, recepten en procenten. 800 gram kaas kost € 10,00. Wat kost een kilo? 100 gram kost € 10,00 : 8 = € 1,25, dus 1000 gram kost 10 × € 1,25 = € 12,50.
- Schaal 1 : 100: 1 cm op de plattegrond is 100 cm, dus 1 meter, in het echt. Een klaslokaal van 9 bij 7 meter is op die plattegrond 9 bij 7 centimeter.
- Een foto vergroten zonder dat hij vervormt: van 10 bij 15 cm naar 20 bij 30 cm (allebei keer 2). Bij 20 bij 25 cm zou de foto vervormen.
Meten en wegen
- Het hele rijtje lengtematen, met de decameter erbij: km, hm, dam, m, dm, cm, mm, met de voorvoegsels kilo-, hecto-, deca-, deci-, centi- en milli-. Elke stap naar rechts is een maat die tien keer zo klein is: 1 km = 10 hm, 1 dam = 10 m.
- Oppervlaktematen tot de km², plus de hectare en de are. Een hectare is een vierkant van 100 bij 100 meter, dus 10.000 m², iets groter dan een voetbalveld. Een are is 10 bij 10 meter, 100 m². En 1 km² = 100 ha = 1.000.000 m².
- De oppervlakte van een driehoek: de helft van de rechthoek eromheen. Een driehoek met een basis van 6 cm en een hoogte van 4 cm heeft een oppervlakte van 6 × 4 : 2 = 12 cm². Een L-vorm splits je in twee rechthoeken: 8 m bij 3 m en 4 m bij 2 m is samen 24 + 8 = 32 m².
- Inhoud (volume) in m³, dm³ en cm³, met lengte × breedte × hoogte. Een aquarium van 50 cm lang, 30 cm breed en 40 cm hoog heeft een inhoud van 60.000 cm³. Dat is 60 dm³, en omdat 1 dm³ = 1 liter, past er 60 liter water in. Een m³, ook wel een ‘kuub’, is 1000 liter.
- Gewichten met kommagetallen: 0,358 kg = 358 g. Eén ton is 1000 kg.
Klokkijken en tijd
- Rekenen met uren, minuten en seconden: 2 minuten en 15 seconden is 135 seconden. Een film van 1 uur en 47 minuten die om 19.25 uur begint, is om 21.12 uur afgelopen.
- Honderdsten van seconden in de sport: rijdt de ene schaatser de 500 meter in 36,58 seconden en de andere in 36,61 seconden, dan is het verschil 0,03 seconde.
- Datums noteren als dag, maand en jaar: 10-02-2027 is 10 februari 2027. En uitrekenen hoeveel dagen er tussen twee datums zitten: van 20-11 tot 05-12 is 10 dagen tot het eind van november (die maand heeft 30 dagen) plus 5, samen 15 dagen.
Meetkunde en vormen
- De woorden horizontaal, verticaal en diagonaal gebruiken.
- Tekeningen in perspectief begrijpen: wat verder weg is, zie je kleiner.
- Op een plattegrond of kaart aanwijzen waar de fotograaf van een foto stond, en redeneren over kijklijnen: wat zie je vanaf die plek wel, en wat staat erachter verstopt?
Tabellen en grafieken
- De woorden bij een grafiek: horizontale as en verticale as (of x-as en y-as), legenda, stijgen en dalen.
- Zelf een lijngrafiek tekenen, bijvoorbeeld van de temperatuur op een dag.
- Coördinaten met positieve getallen: bij het punt (4, 2) ga je eerst 4 stappen naar rechts langs de horizontale as en dan 2 stappen omhoog.
- Een cirkeldiagram invullen dat in tien gelijke stukken is verdeeld (elk stuk is 10%), en procenten aflezen in een cirkeldiagram.
- Het gemiddelde: Daan haalt voor vier toetsjes een 6, een 8, een 7 en een 9. Samen is dat 30, en 30 : 4 = 7,5.
Hoofdrekenen en de rekenmachine
Hoofdrekenen blijft belangrijk, ook nu de sommen groter worden. Kinderen gebruiken handige strategieën: 18 × 25 = 9 × 50 = 450 (verdubbelen en halveren), 7 × 99 = 7 × 100 − 7 = 693 (compenseren) en 10% van iets is dat getal gedeeld door 10. In groep 7 leren ze ook met de rekenmachine werken: wat de toetsen doen, hoe je een uitkomst begrijpt als een deling niet precies uitkomt (43 : 3 geeft 14,333333: 3 past 14 keer in 43, en er blijft iets over), en waarom je altijd eerst schat. Wie verwacht dat 48 × 52 ongeveer 50 × 50 = 2500 is, ziet meteen dat 24.960 op het schermpje niet kan kloppen (het goede antwoord is 2496). Meer strategieën vind je bij strategieën voor hoofdrekenen.
Aan het eind van groep 7 kunnen de meeste kinderen…
- getallen tot een miljoen lezen, schrijven, vergelijken en afronden
- kommagetallen met drie cijfers achter de komma vergelijken, optellen en aftrekken
- op papier twee getallen van twee cijfers vermenigvuldigen, zoals 35 × 67
- delen door een getal van twee cijfers, met de hapmethode of de staartdeling
- breuken vereenvoudigen, helen eruit halen en gelijknamige breuken optellen en aftrekken
- breuken, kommagetallen en procenten aan elkaar koppelen, zoals ¾ = 0,75 = 75%
- korting uitrekenen, zoals 25% korting op € 80
- met schaal 1 : 100 rekenen en de verhoudingstabel gebruiken
- de oppervlakte van een rechthoek en een driehoek uitrekenen, en de inhoud van een doos met l × b × h
- de rekenmachine gebruiken en de uitkomst controleren door te schatten
- een lijngrafiek lezen en tekenen, coördinaten gebruiken en een gemiddelde uitrekenen
Belangrijke woorden
| Woord | Wat het betekent |
|---|---|
| Een ton | Honderdduizend: 100.000. (Bij gewicht betekent een ton 1000 kg.) |
| Duizendsten | Het derde cijfer achter de komma: in 6,175 staat de 5 op de plaats van de duizendsten. |
| Gelijkwaardige breuken | Breuken die even groot zijn: ⅖ = ⁴⁄₁₀. |
| Vereenvoudigen | Een breuk met kleinere getallen schrijven, door teller en noemer door hetzelfde getal te delen: ⁹⁄₁₂ = ¾. |
| Helen eruit halen | Een breuk groter dan 1 schrijven als heel getal met een breuk: ⁸⁄₇ = 1 ¹⁄₇. |
| Gelijknamige breuken | Breuken met dezelfde noemer, zoals ²⁄₇ en ⁶⁄₇. Die kun je direct optellen en aftrekken. |
| Procent (%) | Van de honderd: 30% betekent 30 van elke 100. |
| Schaal | Hoeveel keer kleiner een tekening of kaart is dan het echt is. Bij 1 : 100 is 1 cm op papier 100 cm in het echt. |
| Hectare, are | Maten voor grote oppervlaktes: 1 ha = 10.000 m², 1 are = 100 m². |
| Inhoud, kuub | Hoeveel ruimte er in iets is. Een kuub is een kubieke meter (1 m³), en dat is 1000 liter. |
| Gemiddelde | Alle getallen bij elkaar opgeteld en gedeeld door hoeveel het er zijn. |
| Coördinaten | Twee getallen die een punt aanwijzen in een assenstelsel: eerst opzij langs de horizontale as, dan omhoog. |
Toetsen en het voorlopig advies in groep 7
In groep 7 volgt de school de ontwikkeling van je kind met de toetsen van het leerlingvolgsysteem (LVS). Op veel scholen is er een middentoets rond januari of februari en een eindtoets rond juni. Veel ouders noemen ze ‘de Cito-toetsen’, ook als de school toetsen van een andere aanbieder gebruikt. Het zijn geen toetsen waarvoor je slaagt of zakt: ze laten zien hoe je kind groeit ten opzichte van eerdere jaren. Daarnaast maakt de klas na elk blok van de rekenmethode een methodetoets, zodat de juf of meester ziet wat er goed is blijven hangen.
Op veel scholen krijg je aan het eind van groep 7 een eerste indicatie van het schooltype dat bij je kind lijkt te passen, soms ‘voorlopig advies’ of ‘pre-advies’ genoemd. Dat is geen wettelijke verplichting en ook nog geen eindoordeel. De school kijkt daarvoor naar hoe je kind zich in de loop van de jaren heeft ontwikkeld: de resultaten, maar ook hoe je kind werkt, plant en volhoudt. Het officiële voorlopig schooladvies volgt in januari van groep 8, vóór de doorstroomtoets, en het definitieve schooladvies in maart. Zie het gesprek over een indicatie in groep 7 dus vooral als een goed moment om samen met de leerkracht en je kind te bespreken wat goed gaat en waar nog groei zit. Wat de toetsen meten en hoe het schooladvies tot stand komt, lees je in de rekentoetsen op de basisschool uitgelegd.
Zo help je thuis
- Reken met korting. Folders en etalages staan vol procenten. ‘Die jas van € 80 is 25% afgeprijsd. Wat kost hij nu?’ (€ 60.)
- Kook met de verhoudingstabel. ‘Dit recept is voor 4 personen, met 300 gram bloem. Hoeveel hebben we nodig voor 6?’ (Voor 2 personen is het 150 gram, dus voor 6 personen 450 gram.)
- Meet in huis. Reken de oppervlakte van de slaapkamer uit in m², of de inhoud van een doos of aquarium in liters.
- Kijk naar het weerbericht. ‘Vannacht was het −3 °C, vanmiddag wordt het 4 °C. Hoeveel graden scheelt dat?’ (7 graden.) Een week lang de temperatuur bijhouden levert meteen een lijngrafiek op.
- Schat eerst, dan de rekenmachine. Laat je kind bij de boodschappen eerst schatten wat het kost, en pas daarna controleren op je telefoon.
- Houd de tafels bij. Grote keersommen, delen en breuken vereenvoudigen bouwen er allemaal op voort. Ideeën vind je in tafels oefenen.
Meer ideeën lees je in rekenen in het dagelijks leven en je kind thuis helpen met rekenen.
Bij procenten helpt het om bij 10% te beginnen: dat is het bedrag gedeeld door 10. 10% van € 60 is € 6. Van daaruit is 5% de helft (€ 3), 20% het dubbele (€ 12) en 15% is 10% + 5% (€ 6 + € 3 = € 9). En 25% is een kwart, 50% de helft. Op school zetten kinderen zulke stappen vaak in een verhoudingstabel of op een procentenstrook. Vraag je kind om het je voor te doen: wie het kan uitleggen, snapt het echt.
De uitdaging van IndieIn de korf staat een bak van 25 cm lang, 20 cm breed en 10 cm hoog, helemaal vol honing. Indie schept de honing in potjes van ¼ liter. Hoeveel potjes vult ze? Op de vrijmarkt van Koningsdag verkoopt ze een potje voor € 3,50. Aan het eind van de dag geeft ze 20% korting. Wat kost een potje dan? Bekijk het antwoord
Indie vult 20 potjes. De inhoud van de bak is 25 × 20 × 10 = 5000 cm³. Dat is 5 dm³, en 1 dm³ is 1 liter, dus er zit 5 liter honing in. In 1 liter passen 4 potjes van ¼ liter, dus in 5 liter passen 5 × 4 = 20 potjes. Met korting kost een potje € 2,80. 10% van € 3,50 is € 0,35, dus 20% is € 0,70, en € 3,50 − € 0,70 = € 2,80. Controle: 80% van € 3,50 is 8 × € 0,35 = € 2,80.
Gratis werkbladen voor groep 7
Print ze om thuis of in de klas te oefenen. Op de tweede pagina van elk werkblad staan de antwoorden.
Vermenigvuldigen onder elkaarGroep 6, Groep 7 · Drie cijfers keer één cijferDownload pdf
Breuken van een getalGroep 6, Groep 7 · Zoals ½ van 12 en ¾ van 20Download pdf
Gelijkwaardige breukenGroep 7, Groep 8 · Vind het getal dat ontbreektDownload pdf
Tienden en honderdstenGroep 6, Groep 7 · Breuken als kommagetalDownload pdf
Procenten berekenenGroep 7, Groep 8 · 10%, 25%, 50% en meerDownload pdfSnelle antwoorden
Op veel scholen krijgen ouders aan het eind van groep 7 een eerste indicatie van het schooltype dat bij hun kind lijkt te passen. Dat is geen verplichting en nog geen eindoordeel. Het officiële voorlopig schooladvies volgt in januari van groep 8, vóór de doorstroomtoets.
Ja, de rekenmachine hoort bij de doelen van groep 7. Kinderen leren hoe hij werkt, hoe je een uitkomst begrijpt en vooral hoe je met schatten controleert of die uitkomst kan kloppen. Hoofdrekenen en rekenen op papier blijven daarnaast net zo belangrijk.
Breuken met dezelfde noemer, zoals ²⁄₇ en ⁶⁄₇. Die kun je direct optellen of aftrekken: je telt de tellers op en de noemer blijft hetzelfde. ²⁄₇ + ⁶⁄₇ = ⁸⁄₇ = 1 ¹⁄₇. Breuken met verschillende noemers, zoals ½ + ⅓, komen in groep 8.
Ja, als ze nog niet vlot gaan. Alle tafels tot en met 10 en de deeltafels horen uit het hoofd te zitten, en in groep 7 bouwt bijna alles erop voort: grote keersommen, delen door een getal van twee cijfers en breuken vereenvoudigen. Een paar minuten per dag helpt meer dan een uur in het weekend.
Oefenen met Indie
Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.