Uitleg per groep
Rekenen in groep 6: wat leert je kind? (9 tot 10 jaar)
In groep 6 zitten kinderen van 9 tot 10 jaar; de meesten worden in de loop van het schooljaar 10. Je kind zit nu in de tweede helft van de basisschool, en bij rekenen merk je dat. De getallen groeien tot 100.000, kommagetallen en echte breuken met een teller en een noemer komen erbij, en keer- en deelsommen maken kinderen voortaan ook op papier.
Waar kinderen in groep 6 mee bezig zijn
In groep 5 hebben kinderen alle tafels tot en met 10 geleerd. In groep 6 komen daar de deeltafels bij: wie weet dat 7 × 8 = 56, weet nu ook meteen dat 56 : 8 = 7. Die parate kennis is hard nodig, want kinderen gaan grotere getallen vermenigvuldigen en delen, bijvoorbeeld met de hapmethode.
Daarnaast is groep 6 het jaar waarin breuken en kommagetallen ‘echte’ getallen worden, met een eigen plek op de getallenlijn. Kinderen rekenen de oppervlakte van een rechthoek uit in vierkante meters, lezen een cirkeldiagram en een lijngrafiek, zoeken op een plattegrond uit in welk vak iets ligt en maken kennis met het gemiddelde.
Wat er in groep 6 aan bod komt
De overheid legt in de kerndoelen vast wat elke basisschool moet aanbieden, en in de referentieniveaus (1F en 1S) wat kinderen aan het eind van groep 8 moeten beheersen. Wat er in welke groep gebeurt, beschrijft SLO in de tussendoelen per groep: een richtlijn, geen verplichting. Hieronder lees je wat er volgens die tussendoelen en in de meeste rekenmethodes in groep 6 bijkomt. Het precieze moment verschilt per school en per rekenmethode. Elke kop linkt naar een uitgebreide uitleg over dat onderwerp.
Tellen en getalbegrip
- Getallen tot 100.000 lezen, schrijven en ordenen, met een punt of een kleine spatie tussen de groepjes van drie: 46.389 of 46 389. Je zegt ‘zesenveertigduizend driehonderdnegenentachtig’.
- Weten wat elk cijfer waard is. Na de duizendtallen komen de tienduizendtallen: in 46.389 staat de 4 voor 40.000 en de 6 voor 6000.
- Tellen met sprongen van 1000 of 10.000, ook over een ‘ronde’ grens heen: 37.500, 38.500, 39.500, 40.500.
- Grote getallen op de getallenlijn zetten: 45.000 ligt precies midden tussen 40.000 en 50.000.
- Afronden op honderdtallen en duizendtallen: 46.389 wordt op honderdtallen 46.400 en op duizendtallen 46.000. Een stad met 46.389 inwoners heeft er dus ‘ongeveer 46.000’.
Kommagetallen
- Kommagetallen met één en twee cijfers achter de komma lezen, schrijven, vergelijken en op de getallenlijn zetten: 2,5 ligt midden tussen 2 en 3.
- Een kommagetal splitsen in helen, tienden en honderdsten: 3,25 = 3 + 0,2 + 0,05.
- Maten met een komma schrijven: 2,37 m is 2 m 37 cm, en 4,5 km is 4 km 500 m.
- De thermometer aflezen in tienden van een graad: 37,8 °C is 37 graden en 8 tienden.
- Een bedrag keer een heel getal: 3 tandenborstels van € 2,25 kosten samen € 6,75.
Procenten komen volgens de tussendoelen pas in groep 7. Breuken en kommagetallen leggen daar nu de basis voor.
Breuken
- Breuken schrijven met een horizontale en met een schuine streep (¾ of 3/4), en de woorden kennen: de teller (boven de streep) zegt hoeveel stukken je neemt, de noemer (eronder) in hoeveel gelijke stukken het geheel is verdeeld.
- Soorten breuken herkennen: stambreuken met een 1 als teller, zoals ¼; niet-stambreuken, zoals ⅘; breuken die precies één heel zijn, zoals ⁵⁄₅; en samengestelde breuken, een heel getal met een breuk erbij, zoals 2 ⅓.
- Breuken vergelijken en op de getallenlijn zetten: ¾ liter is meer dan ½ liter, en 1 ½ ligt midden tussen 1 en 2.
- Aanvullen tot één heel: ²⁄₇ + ⁵⁄₇ = 1.
- Een breuk van een hoeveelheid uitrekenen: ⅕ van € 60 is € 12, en ¾ van 120 liter is 90 liter.
Bij een breuk van een hoeveelheid deel je eerst door de noemer en vermenigvuldig je daarna met de teller. Veel methodes laten dat zien met een strook, het strokenmodel:
Optellen en aftrekken
- Optellen en aftrekken onder de 10.000: uit het hoofd met rijgen en splitsen, en op papier kolomsgewijs of cijferend: 3476 + 2858 = 6334 en 5000 − 1236 = 3764.
- Handig rekenen met ronde getallen, zoals compenseren: 6000 − 2990 = 6000 − 3000 + 10 = 3010.
- Eerst schatten (5000 − 1236 is ongeveer 5000 − 1200 = 3800) en daarna terugrekenen om te controleren: 3764 + 1236 = 5000, dus de minsom klopt.
- Rekenen met geld, zoals de bedragen op een kassabon optellen: € 4,95 + € 2,50 + € 1,35 = € 8,80.
Of je kind kolomsgewijs rekent (met hele waarden, van links naar rechts) of cijfert (cijfer voor cijfer, met ‘onthouden’ en ‘lenen’ of ‘inwisselen’), hangt af van de rekenmethode. In zo leert je kind rekenen op de basisschool leggen we beide manieren uit.
Tafels, keer- en deelsommen
- De deeltafels tot en met 10 uit het hoofd kennen: 63 : 9 = 7, 48 : 6 = 8.
- Op papier een getal van één cijfer vermenigvuldigen met een getal van twee of drie cijfers. Een groenteboer heeft 7 dozen met elk 248 sinaasappels: kolomsgewijs is dat 7 × 200 = 1400, 7 × 40 = 280 en 7 × 8 = 56, samen 7 × 248 = 1736. Cijferend begin je rechts: ‘7 keer 8 is 56, 6 opschrijven, 5 onthouden. 7 keer 4 is 28, plus 5 is 33, 3 opschrijven, 3 onthouden. 7 keer 2 is 14, plus 3 is 17.’
- Op papier een getal van twee of drie cijfers delen door een getal van één cijfer, ook met rest: 361 : 7 = 51 rest 4.
- Een rest slim gebruiken. Moeten 361 kinderen verdeeld worden over bootjes voor 7 personen, dan zijn er 51 bootjes vol en blijven er 4 kinderen over. Die moeten ook mee, dus er zijn 52 bootjes nodig.
- Het gemiddelde in eenvoudige gevallen. Fenna zwemt vier baantjes in 52, 48, 50 en 46 seconden. Samen is dat 196 seconden, en 196 : 4 = 49. Gemiddeld doet ze dus 49 seconden over een baantje.
Voor deelsommen op papier leren veel scholen de hapmethode. Je kind schrijft de deler vooraan en het deeltal tussen twee schuine strepen. Dan haalt het steeds een handige ‘hap’ van het deeltal af, zoals 10, 50 of 100 keer de deler, tot er minder dan de deler over is. Tot slot telt het de happen op:
Sommige scholen leren ook, of in plaats daarvan, de klassieke staartdeling, waarbij je cijfer voor cijfer werkt. Beide manieren geven hetzelfde antwoord. Vraag de juf of meester welke de klas gebruikt, en leer je kind thuis geen andere manier aan: dat zorgt vooral voor verwarring.
Verhoudingen en patronen
- Een verhouding op verschillende manieren schrijven: ‘4 van de 5’, 4 : 5 of ⅘. Komen 4 van de 5 kinderen op de fiets naar school, dan is dat ⅘ van de klas.
- ‘Zoveel op de zoveel’: in een klas van 27 kinderen speelt 1 op de 3 op zaterdag voetbal. Dat zijn er 27 : 3 = 9.
- De prijs per stuk, per kilo of per liter uitrekenen, vaak met een verhoudingstabel (zie hieronder).
- Snelheid: wie 12 kilometer per uur fietst, is na een kwartier 3 km verder.
Op de markt kost 2 kilo appels € 3,60. Hoeveel kost 5 kilo? In de verhoudingstabel ga je eerst terug naar 1 kilo (alles delen door 2) en dan naar 5 kilo (alles keer 5):
| Kilo appels | 2 | 1 | 5 |
|---|---|---|---|
| Prijs | € 3,60 | € 1,80 | € 9,00 |
Meten en wegen
- De hectometer (hm) komt erbij: 1 hm = 100 m, ongeveer de lengte van een voetbalveld. De lengtematen op volgorde: km, hm, m, dm, cm, mm.
- De omtrek van een rechthoek met de regel 2 × (lengte + breedte): een kamer van 4 m lang en 3 m breed heeft een omtrek van 2 × (4 + 3) = 14 m.
- De oppervlakte van een rechthoek met lengte × breedte, in m², dm² of cm²: dezelfde kamer heeft een oppervlakte van 4 × 3 = 12 m², dus er passen 12 vierkanten van 1 m bij 1 m op de vloer.
- Inhoudsmaten: de deciliter en de centiliter. 1 l = 10 dl = 100 cl, en een blikje frisdrank van 33 cl bevat 330 ml.
- Kilogram en gram omrekenen: 1,5 kg = 1500 g.
Klokkijken en tijd
- Uren, minuten en seconden omrekenen: anderhalf uur is 90 minuten, en 1 minuut en 25 seconden is 85 seconden.
- Tijden opnemen en vergelijken met een stopwatch, bijvoorbeeld bij gym of op het zwembad.
- Nieuwe woorden: een kwartaal (3 maanden), een schrikkeljaar (366 dagen, met 29 februari; 2028 is er weer een), een decennium (10 jaar) en een eeuw (100 jaar). 2026 valt in de 21e eeuw.
- Gebeurtenissen op een tijdlijn zetten.
Rekenen met geld
- Bedragen tot ongeveer € 5000 neerleggen met briefjes en munten, ook met zo weinig mogelijk: € 385 is € 200 + € 100 + € 50 + € 20 + € 10 + € 5, zes briefjes.
- Een nieuwe fiets van € 850 betalen met 4 briefjes van € 200 en 1 briefje van € 50.
Goed om te weten bij sommen met contant geld: winkels ronden het totaal dan vaak af op 5 cent, zodat € 8,89 € 8,90 wordt. Wie pint, betaalt het precieze bedrag.
Meetkunde en vormen
- Een plattegrond met een rooster lezen: ‘het zwembad ligt in vak C5’. En de legenda gebruiken om symbolen op een kaart te begrijpen.
- De windrichtingen noord, oost, zuid en west: de zon komt op in het oosten en gaat onder in het westen.
- Een schaal in woorden: ‘1 cm op de kaart is 1 km in het echt’.
- Symmetrische patronen en vlakvullingen ontwerpen: figuren die een vlak helemaal bedekken, zonder gaten en zonder dat ze over elkaar heen liggen.
- De namen driehoek, vierhoek, vijfhoek, zeshoek en cirkel, en kubus, balk, bol, piramide en cilinder.
Indie is zelf een zeshoek, en een honingraat is een prachtige vlakvulling: zeshoeken passen precies tegen elkaar, zonder ruimte ertussen.
Tabellen en grafieken
- Een beelddiagram waarin één plaatje voor 100 staat: staan er bij een avond van de Avondvierdaagse 3 ½ poppetjes, dan liepen er 350 wandelaars mee.
- Een cirkeldiagram lezen: welk stuk is het grootst, en welk stuk is ongeveer een kwart?
- Een lijngrafiek lezen, zoals de temperatuur op een dag: hoe laat was het het warmst, en wanneer daalde de temperatuur?
- Regelmaat in getallenrijen ontdekken en de rij voortzetten.
Hoofdrekenen
Hoofdrekenen blijft de basis van alles. In groep 6 rekenen kinderen uit het hoofd met ronde getallen (6 × 800 = 4800, dus 4800 : 6 = 800), gebruiken ze de verdeelstrategie (7 × 36 = 7 × 30 + 7 × 6 = 210 + 42 = 252) en leren ze handig verdubbelen en halveren (18 × 25 = 9 × 50 = 450). Meer ideeën vind je bij strategieën voor hoofdrekenen.
Aan het eind van groep 6 kunnen de meeste kinderen…
- getallen tot 100.000 lezen, schrijven en afronden op honderdtallen en duizendtallen
- de deeltafels tot en met 10 uit het hoofd kennen, en een deelsom controleren met terugrekenen
- op papier een getal van één cijfer vermenigvuldigen met een getal van drie cijfers, zoals 7 × 248 = 1736
- op papier delen door een getal van één cijfer, ook met rest, zoals 361 : 7 = 51 rest 4
- optellen en aftrekken onder de 10.000, uit het hoofd en op papier
- kommagetallen met één en twee cijfers achter de komma lezen, vergelijken en splitsen
- uitleggen wat de teller en de noemer van een breuk betekenen, en breuken vergelijken
- een breuk van een hoeveelheid uitrekenen, zoals ¾ van 120 liter = 90 liter
- de omtrek en de oppervlakte van een rechthoek uitrekenen
- een vak op een plattegrond vinden, de windrichtingen noemen en een cirkeldiagram lezen
Belangrijke woorden
| Woord | Wat het betekent |
|---|---|
| Tienduizendtal | De vijfde plaats van rechts: in 46.389 staat de 4 voor 4 tienduizendtallen, 40.000. |
| Kommagetal | Een getal met cijfers achter de komma: in 3,25 zijn er 2 tienden en 5 honderdsten. |
| Teller, noemer | Het getal boven en het getal onder de breukstreep: bij ¾ is 3 de teller en 4 de noemer. |
| Stambreuk | Een breuk met een 1 als teller, zoals ¼ of ⅕. |
| Samengestelde breuk | Een heel getal met een breuk erbij, zoals 2 ⅓ (twee en een derde). |
| Deeltafels | De deelsommen die bij de tafels horen: bij 6 × 8 = 48 horen 48 : 8 = 6 en 48 : 6 = 8. |
| Hapmethode | Delen op papier door steeds een handige ‘hap’ van het deeltal af te halen en de happen op te tellen. |
| Rest | Wat er bij een deelsom overblijft: 361 : 7 = 51 rest 4. |
| Gemiddelde | Alles bij elkaar opgeteld en daarna eerlijk verdeeld: het gemiddelde van 52, 48, 50 en 46 is 196 : 4 = 49. |
| Omtrek, oppervlakte | De lengte van de rand van een figuur, en hoeveel ruimte de figuur inneemt (in m², dm² of cm²). |
| Windrichtingen | Noord, oost, zuid en west. |
Meer woorden vind je in de rekenwoordenlijst.
Toetsen in groep 6
Na elk blok van de rekenmethode maakt je kind een methodetoets, waarmee de juf of meester kijkt of de stof is blijven hangen. Daarnaast volgt elke school met de toetsen van het leerlingvolgsysteem (LVS) hoe kinderen zich ontwikkelen. Op veel scholen is er een middentoets rond januari of februari en een eindtoets rond juni; op het rapport zie je dan bijvoorbeeld ‘M6’ of ‘E6’. Veel ouders noemen ze ‘de Cito-toetsen’, ook als de school toetsen van een andere aanbieder gebruikt. Bij geen van deze toetsen kan je kind zakken: ze laten zien hoe het groeit.
Een landelijke tafeltoets is er niet. Op veel scholen komt er aan het eind van groep 7 een eerste indicatie voor de middelbare school, en in groep 8 volgen de doorstroomtoets en het schooladvies. Alles over toetsen en uitslagen lees je in rekentoetsen op de basisschool.
Zo help je thuis
- Deeltafels door elkaar. Vijf minuten aan het ontbijt of op de fiets werkt beter dan een uur in het weekend. Vraag ‘Hoeveel is 63 : 9?’ en daarna ‘En 9 × 7?’. Meer ideeën vind je in tafels oefenen.
- Breuken in de keuken. ‘We hebben ¾ liter melk nodig. Hoeveel deciliter is dat?’ (7,5 dl.) Of: ‘Er zijn 12 pannenkoeken en jij krijgt er ¼ van. Hoeveel zijn dat er?’ (3 pannenkoeken.)
- Meet en schrijf met een komma. Is je kind 1 m 42 cm lang, dan is dat 1,42 m. Wie in huis is het langst, en hoeveel scheelt het?
- Reken de kamer uit. Meet de lengte en de breedte van de slaapkamer en reken de omtrek en de oppervlakte uit. Past dat nieuwe kleed van 2 bij 3 meter (6 m²)?
- Kaart en windrichtingen. Zoek op een plattegrond in welk vak de school of het zwembad ligt. Welke kant fietsen jullie op naar opa en oma: naar het noorden of naar het zuiden?
- Het gemiddelde van de fietsroute. Klok een week lang hoe lang de rit naar school duurt, bijvoorbeeld 9, 11, 10, 12 en 8 minuten. Samen is dat 50 minuten, en 50 : 5 = 10, dus gemiddeld 10 minuten.
Meer ideeën vind je in rekenen in het dagelijks leven en je kind thuis helpen met rekenen.
Twijfelt je kind welk kommagetal groter is, maak er dan geld van. Veel kinderen denken dat 0,75 groter is dan 0,8, ‘want 75 is meer dan 8’. Maak je er € 0,80 en € 0,75 van, dan ziet je kind meteen dat 80 cent meer is dan 75 cent, en dus 0,8 meer dan 0,75. Of zeg het in honderdsten: 0,8 is 8 tienden, en dat is 80 honderdsten. Meer cijfers achter de komma betekent dus niet vanzelf een groter getal.
De uitdaging van IndieIndie en haar vriendinnen vullen deze zomer 248 potjes honing. Een kwart van de potjes gaat naar de markt. De rest pakt Indie in dozen van 8 potjes. Hoeveel dozen heeft ze nodig? Bekijk het antwoord
Indie heeft 24 dozen nodig. Eerst ¼ van 248: 248 : 4 = 62 potjes gaan naar de markt. Er blijven 248 − 62 = 186 potjes over (dat is ¾ van 248, want 3 × 62 = 186). Dan 186 : 8 met de hapmethode: 20 × 8 = 160, er blijft 26 over; 3 × 8 = 24, er blijft 2 over. Dus 186 : 8 = 23 rest 2. Er zijn 23 dozen vol, en de laatste 2 potjes hebben ook een doos nodig: 23 + 1 = 24 dozen. Terugrekenen: 23 × 8 = 184, en 184 + 2 = 186.
Gratis werkbladen voor groep 6
Print ze om thuis of in de klas te oefenen. Op de tweede pagina van elk werkblad staan de antwoorden.
AfrondenGroep 5, Groep 6 · Op tientallen, honderdtallen en duizendtallenDownload pdf
Optellen onder elkaarGroep 5, Groep 6 · Getallen van drie cijfersDownload pdf
Aftrekken onder elkaarGroep 5, Groep 6 · Getallen van drie cijfersDownload pdf
DeeltafelsGroep 5, Groep 6 · Delen met de tafelsDownload pdf
Vermenigvuldigen onder elkaarGroep 6, Groep 7 · Drie cijfers keer één cijferDownload pdf
Welk deel is gekleurd?Groep 5, Groep 6 · Halven, derden, kwarten en meerDownload pdf
Breuken van een getalGroep 6, Groep 7 · Zoals ½ van 12 en ¾ van 20Download pdf
Tienden en honderdstenGroep 6, Groep 7 · Breuken als kommagetalDownload pdf
WisselgeldGroep 5, Groep 6 · Terugkrijgen van € 1, € 2 en € 5Download pdf
Omtrek en oppervlakteGroep 5, Groep 6 · Rechthoeken op een rooster van centimetersDownload pdf
Vlakke figurenGroep 4, Groep 5, Groep 6 · Namen, zijden en hoekenDownload pdf
Welk getal ontbreekt?Groep 5, Groep 6 · Vind het getal in het hokjeDownload pdfSnelle antwoorden
Alle tafels tot en met 10, die je kind in groep 5 uit het hoofd heeft geleerd, en in groep 6 ook de deeltafels die erbij horen: als 7 × 8 = 56, dan is 56 : 8 = 7 en 56 : 7 = 8. De tafels van 11 en 12 horen er op de basisschool niet standaard bij, en er is geen landelijke tafeltoets.
Dat hangt af van de school. Veel scholen leren eerst, of alleen, de hapmethode, waarbij je kind handige happen van het deeltal afhaalt. Andere scholen leren de staartdeling, cijfer voor cijfer. Beide geven hetzelfde antwoord: 361 : 7 = 51 rest 4. Vraag de juf of meester welke manier de klas gebruikt.
Volgens de tussendoelen van SLO komen procenten in groep 7. In groep 6 leggen breuken en kommagetallen de basis: een kind dat weet dat ¼ van 100 gelijk is aan 25, snapt straks snel wat 25% betekent.
Dat verschilt per school. Op veel scholen komt er in groep 6 of 7 wat huiswerk bij, bijvoorbeeld de deeltafels oefenen. Houd het thuis kort en ontspannen: een paar minuten per dag helpt meer dan een lange sessie.
Oefenen met Indie
Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.