Leren › Rekenwoordenlijst
Van A tot Z
Rekenwoordenlijst
Rekenen op school heeft zijn eigen woorden. Sommige ken je nog van vroeger, zoals lenen, onthouden en de staartdeling. Andere zijn misschien nieuw voor je: rijgen, de hapmethode, verliefde harten of de verhoudingstabel. In deze woordenlijst staan de woorden die je kind van groep 1 tot en met groep 8 tegenkomt, elk met een voorbeeld dat je samen kunt proberen.
Tussen haakjes staat de groep waarin de meeste kinderen het woord voor het eerst tegenkomen. We volgen daarbij de tussendoelen van SLO, het landelijke expertisecentrum voor het curriculum. Die beschrijven per groep wat kinderen leren op weg naar de referentieniveaus aan het eind van groep 8. Het precieze moment verschilt per school en per rekenmethode, dus op de school van je kind kan een woord iets eerder of later langskomen. Wat er per groep allemaal aan bod komt, lees je bij de groepen.
A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z
A
- Aanvullen (verschil bepalen)
- Een minsom oplossen door vanaf het kleinste getal door te tellen naar het grootste. Dat werkt vooral goed als de twee getallen dicht bij elkaar liggen. Ook bij breuken spreek je van aanvullen: hoeveel moet er nog bij om 1 te maken? Voorbeeld: 50 − 48: van 48 naar 50 is 2, dus 50 − 48 = 2. En ²⁄₇ + ⁵⁄₇ = 1, dus ²⁄₇ vul je aan met ⁵⁄₇. (Groep 4; aanvullen tot 1 bij breuken in groep 6.) Meer over optellen en aftrekken.
- Aanzicht (vooraanzicht, zijaanzicht, bovenaanzicht)
- Hoe een voorwerp of een bouwsel van blokken eruitziet als je er recht van voren, van opzij of van bovenaf naar kijkt. Voorbeeld: een blikje, een cilinder, is van voren gezien een rechthoek en van bovenaf een cirkel. (Bovenaanzicht in groep 3; voor-, zij- en bovenaanzicht in groep 4.) Meer over meetkunde en vormen.
- Afronden
- Een getal vervangen door een rond getal dat er dichtbij ligt, bijvoorbeeld op tientallen, honderdtallen of duizendtallen. Is het cijfer dat de doorslag geeft een 5 of hoger, dan rond je naar boven af. Ook in de winkel wordt afgerond: wie contant betaalt, krijgt het totaal afgerond op 5 cent. Voorbeeld: 879 afgerond op honderdtallen is 900, 1250 wordt 1300, 371.389 afgerond op tienduizendtallen is 370.000 en 3,6 afgerond op een heel getal is 4. Aan de kassa wordt € 8,89 contant € 8,90. (Op honderdtallen in groep 5, op duizendtallen in groep 6, grote getallen en kommagetallen in groep 7 en 8.) Meer over tellen en getalbegrip.
- Aftrekken
- Een hoeveelheid ergens afhalen, of uitzoeken hoeveel twee hoeveelheden verschillen, met het minteken −. Kinderen zeggen ‘minsom’ of ‘eraf’. De uitkomst heet het verschil. Voorbeeld: er staan 10 fietsen in het rek en er rijden er 4 weg: 10 − 4 = 6. (Met echte spullen bij de kleuters; het minteken in groep 3.) Meer over optellen en aftrekken.
- Analoge klok (wijzerklok)
- Een klok met wijzers. De kleine wijzer wijst het uur aan, de grote wijzer de minuten. Voorbeeld: staat de kleine wijzer op de 3 en de grote op de 12, dan is het drie uur. Staat de grote wijzer op de 6 en de kleine tussen de 3 en de 4, dan is het half vier. (Hele uren in groep 3, halve uren en kwartieren in groep 4, op de minuut in groep 5.) Meer over klokkijken.
- As (horizontale en verticale as)
- Een van de twee lijnen langs de onderkant en de zijkant van een grafiek, met namen of een schaalverdeling erbij. De liggende as heet de horizontale as of x-as, de staande as de verticale as of y-as. Voorbeeld: in een staafdiagram over lievelingsfruit staan de soorten fruit op de horizontale as, en op de verticale as lees je af hoeveel kinderen elk fruit kozen. (De woorden in groep 7; staafdiagrammen lezen al vanaf groep 3. Zie ook coördinaten.) Meer over tabellen en grafieken.
- Automatiseren en memoriseren
- Twee woorden die je vaak hoort als het gaat om sommen die kinderen vlot moeten kennen. Automatiseren is een som zo vaak oefenen dat je hem snel en zonder veel nadenken kunt uitrekenen. Memoriseren is hem echt uit je hoofd weten, zonder te rekenen. Voorbeeld: een kind dat bij 7 + 8 snel denkt ‘7 + 7 = 14, plus 1 is 15’, heeft de som geautomatiseerd. Een kind dat meteen 15 zegt, heeft hem gememoriseerd. (De splitsingen tot en met 10 in groep 3, optellen en aftrekken tot en met 20 in groep 4, de tafels in groep 4 en 5.) Tafels oefenen.
B
- Balk
- Een ruimtelijke figuur met 6 rechthoekige vlakken (sommige mogen vierkant zijn), 12 ribben en 8 hoekpunten. Tegenover elkaar liggende vlakken zijn steeds even groot. Voorbeeld: een pak hagelslag, een baksteen of een schoenendoos. (Groep 4.) Meer over meetkunde en vormen.
- Beelddiagram
- Een diagram dat hoeveelheden laat zien met plaatjes of symbolen. In de legenda staat hoeveel één plaatje waard is. Voorbeeld: staat één fietsje voor 2 kinderen, dan zijn 4 fietsjes 8 kinderen en is een half fietsje 1 kind. (Een eenvoudig beelddiagram lezen in groep 3; één plaatje voor 100 in groep 6.) Meer over tabellen en grafieken.
- Bewerkingen (de basisbewerkingen)
- Optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen: de vier manieren om met getallen te rekenen. Optellen en aftrekken horen bij elkaar, net als vermenigvuldigen en delen: de ene bewerking maakt de andere ongedaan. Voorbeeld: 6 + 4 = 10 en 10 − 4 = 6; 6 × 4 = 24 en 24 : 4 = 6. (Optellen en aftrekken vanaf groep 3, keersommen in groep 4, het deelteken in groep 5. Welke bewerking je eerst doet, leren kinderen in groep 8: zie volgorde van bewerkingen.)
- Bijna dubbel
- Een handige manier van rekenen: gebruik een dubbele som die je al kent als de twee getallen vlak bij elkaar liggen. Voorbeeld: 7 + 8 is 7 + 7 en er 1 bij, dus 14 + 1 = 15. (Groep 3.) Meer over hoofdrekenen.
- Bol
- Een helemaal ronde ruimtelijke figuur, zoals een bal. Een bol heeft één gebogen oppervlak en geen ribben of hoekpunten. Voorbeeld: een voetbal of een knikker. (Groep 4.)
- Bouwplaat (uitslag)
- Een platte figuur die je kunt dichtvouwen tot een ruimtelijke figuur, zoals een doosje. Voorbeeld: zes vierkanten in de vorm van een kruis vouw je dicht tot een kubus. Maak je er een dobbelsteen van, let dan op de ogen: tegenover elkaar liggende vlakken zijn samen altijd 7. (Uitslagen van eenvoudige figuren in groep 3; bouwplaten van een kubus, balk en piramide in groep 4; zelf een bouwplaat ontwerpen in groep 5.) Meer over meetkunde en vormen.
- Breuk
- Een deel van een geheel dat in even grote stukken is verdeeld, of een deel van een hoeveelheid. Je schrijft een breuk met de teller boven en de noemer onder de breukstreep, of met een schuine streep: ¾ of 3/4. Voorbeeld: snijd een pizza in 4 even grote punten, dan is één punt ¼ (een kwart) van de pizza. En ⅕ van € 60 is € 12. (De helft in groep 4, een kwart in groep 5, breuken als getallen in groep 6.) Meer over breuken.
- Breukstreep
- Het streepje tussen de teller en de noemer van een breuk. Eigenlijk betekent het ‘gedeeld door’. Voorbeeld: ¾ kun je ook lezen als 3 : 4, en dat is 0,75. (Groep 6; de breuk als deling, ‘2 : 3 is ⅔’, in groep 7.)
- Btw
- De belasting die je betaalt over bijna alles wat je koopt, als percentage van de prijs. In de winkel zit de btw al in de prijs; op de bon staat vaak apart hoeveel btw je hebt betaald. Het gewone tarief is 21%. Voorbeeld: een fiets kost zonder btw € 500. Daar komt 21% bij: 21% van € 500 is € 105, dus je betaalt € 605. De prijs met btw is dan 121% van de prijs zonder btw. (Groep 8, bij procenten boven de 100%.) Meer over kommagetallen en procenten.
Gebruik thuis dezelfde woorden en dezelfde manier van rekenen als in de klas. Zeg ‘inwisselen’ als de juf dat ook zegt, en leer je kind niet cijferen als de klas nog kolomsgewijs rekent. Weet je niet hoe ze het op school doen? Vraag het de juf of meester, of laat je kind het voordoen met een som uit het rekenschrift. Kinderen vinden het vaak leuk om zelf eens de leerkracht te zijn, en zo leg jij niet per ongeluk ‘de andere manier’ uit.
C
- Centimeter (cm)
- Een lengtemaat. In 1 meter gaan 100 centimeter. Voorbeeld: je pinknagel is ongeveer 1 cm breed, en een liniaal is vaak 30 cm lang. (Groep 4.) Meer over meten en wegen.
- Cijfer en getal
- Een cijfer is een van de tien tekens 0 tot en met 9 waarmee je getallen schrijft; een getal is wat je ermee maakt. Zoals letters samen woorden vormen, vormen cijfers samen getallen. (En ja, een ‘cijfer’ is ook wat er op het rapport staat.) Voorbeeld: 507 is een getal van drie cijfers: de 5, de 0 en de 7. Het getal 7 bestaat uit één cijfer. (Groep 4, als kinderen getallen splitsen in tientallen en eenheden.)
- Cijferen
- De korte manier van rekenen onder elkaar die veel ouders zelf nog hebben geleerd. Je rekent cijfer voor cijfer, van rechts naar links, en wat niet in een kolom past, onthoud je. Voorbeeld: 456 + 378: 6 + 8 = 14, 4 opschrijven, 1 onthouden. 5 + 7 = 12, plus 1 is 13, 3 opschrijven, 1 onthouden. 4 + 3 = 7, plus 1 is 8. De uitkomst is 834. (Vanaf groep 5, afhankelijk van de rekenmethode; op veel scholen komt eerst kolomsgewijs rekenen.) Meer over optellen en aftrekken.
- Cilinder
- Een ruimtelijke figuur met twee platte, ronde vlakken en één gebogen vlak ertussen. Voorbeeld: een blikje frisdrank of een rol koekjes. (Groep 4.)
- Cirkel
- Een ronde, vlakke figuur. Alle punten op de rand liggen even ver van het middelpunt. Die afstand heet de straal; de lijn dwars door het middelpunt heet de middellijn en is twee keer zo lang. Een cirkel heeft geen rechte zijden en is dus geen veelhoek. Voorbeeld: een cirkel met een straal van 4 cm heeft een middellijn van 8 cm. (De naam bij de kleuters, in groep 1 en 2; straal en middellijn later, per methode verschillend.)
- Cirkeldiagram
- Een cirkel die in stukken is verdeeld, zodat je ziet hoe een geheel is opgebouwd. Voorbeeld: is de helft van de cirkel gekleurd bij ‘fiets’, dan fietst de helft van de klas naar school. In een klas van 28 kinderen zijn dat er 14. (Lezen in groep 6; zelf een cirkeldiagram invullen dat in tien stukken is verdeeld in groep 7.) Meer over tabellen en grafieken.
- Compenseren
- Een handige manier van hoofdrekenen: maak van een getal een rond getal, reken daarmee, en verbeter daarna de uitkomst. Voorbeeld: 67 − 19: haal er 20 af, dat is 47, en doe de 1 die je te veel hebt afgehaald er weer bij: 48. Of 46 + 9 = 46 + 10 − 1 = 55. (Groep 4.) Meer over hoofdrekenen.
- Coördinaten
- Twee getallen tussen haakjes die precies aangeven waar een punt in een rooster ligt: eerst hoe ver naar rechts, dan hoe ver omhoog. Voorbeeld: het punt (4, 2) ligt 4 hokjes naar rechts en 2 hokjes omhoog. Op een kaart gebruik je letters en cijfers voor vakken: ‘het zwembad ligt in vak C5’. (Vakken op een kaart in groep 6; coördinaten met positieve getallen in groep 7.) Meer over meetkunde en vormen.
D
- Datum
- De dag, de maand en het jaar. In het Nederlands komt eerst de dag, dan de maand en dan het jaar: dd-mm-jjjj. Voorbeeld: 05-12-2026 is 5 december 2026, pakjesavond. Van 10 tot 24 oktober is het 14 dagen: precies twee weken. (De kalender lezen in groep 4; de schrijfwijze dd-mm-jjjj en het aantal dagen tussen twee data in groep 7.) Meer over klokkijken.
- Decimeter (dm)
- Een lengtemaat van 10 centimeter. In 1 meter gaan 10 decimeter. Voorbeeld: een nieuw potlood is bijna 2 dm lang. In een kubus van 1 dm bij 1 dm bij 1 dm (1 dm³) past precies 1 liter. (Groep 5; de dm³ in groep 7.)
- Deelbaar
- Een getal is deelbaar door een ander getal als de deling precies uitkomt, zonder rest. Een paar kenmerken: een getal is deelbaar door 2 als het eindigt op 0, 2, 4, 6 of 8, door 5 als het eindigt op 0 of 5, door 10 als het eindigt op 0, en door 3 als je de cijfers optelt en er een getal uitkomt dat deelbaar is door 3. Voorbeeld: 126 is deelbaar door 3, want 1 + 2 + 6 = 9, en inderdaad: 126 : 3 = 42. (Groep 8.) Meer over tafels, keer- en deelsommen.
- Deeltafels
- De deelsommen die bij een tafel horen. Wie weet dat 7 × 8 = 56, weet ook dat 56 : 8 = 7 en 56 : 7 = 8. Voorbeeld: de deeltafel van 8 begint met 8 : 8 = 1, 16 : 8 = 2 en 24 : 8 = 3. (Vlot uitrekenen in groep 5; uit het hoofd kennen in groep 6.) Tafels oefenen.
- Deeltal, deler en uitkomst
- De namen van de getallen in een deelsom. Het deeltal is het getal dat je deelt, de deler is het getal waardoor je deelt en de uitkomst (ook wel het quotiënt) is het antwoord. Bij de hapmethode en de staartdeling staat de deler links en de uitkomst rechts. ‘Deler’ heeft nog een betekenis: de delers van een getal zijn de getallen waar het precies door deelbaar is. Voorbeeld: in 20 : 4 = 5 is 20 het deeltal, 4 de deler en 5 de uitkomst; op papier: 4 / 20 \ 5. De delers van 12 zijn 1, 2, 3, 4, 6 en 12. (Het deelteken in groep 5; de woorden vooral bij delen op papier, vanaf groep 6.)
- Delen
- Een hoeveelheid eerlijk verdelen, of uitzoeken hoe vaak een getal in een ander getal past. Het deelteken is de dubbele punt: ‘:’, uitgesproken als ‘gedeeld door’. Voorbeeld: 12 : 3 = 4. Verdeel 12 pepernoten over 3 kinderen, dan krijgt ieder er 4. Of: doe 12 pepernoten in zakjes van 3, dan vul je 4 zakjes. (Eerlijk verdelen met echte spullen bij de kleuters; het deelteken in groep 5.) Meer over tafels, keer- en deelsommen.
- Diagonaal
- Een rechte lijn tussen twee hoekpunten van een figuur die niet naast elkaar liggen. Ook een lijn die schuin loopt, noem je diagonaal. Voorbeeld: een rechthoek heeft 2 diagonalen, die elkaar precies in het midden kruisen. Een vijfhoek heeft er 5. (Groep 7, samen met horizontaal en verticaal.)
- Digitale klok
- Een klok die de tijd in cijfers laat zien, meestal met 24 uur. Na 12 uur ’s middags telt hij door: 13.00, 14.00, enzovoort. In een tekst schrijf je de tijd met een punt (15.15 uur); op het schermpje staat vaak een dubbele punt (15:15). Voorbeeld: 15.15 uur is kwart over drie ’s middags en 20.30 uur is half negen ’s avonds: voor tijden vanaf 13.00 uur haal je 12 van de uren af. (Hele uren in groep 3; halve uren en kwartieren in groep 4; het hele etmaal in groep 5.) Meer over klokkijken.
- Doorstroomtoets
- De verplichte toets in groep 8, in januari of februari, voor rekenen, lezen en taalverzorging. De uitslag geeft een toetsadvies voor de middelbare school en laat zien welk referentieniveau je kind haalt. Het schooladvies van de basisschool blijft leidend. Valt het toetsadvies hoger uit, dan moet de school het advies in principe naar boven bijstellen; een lager toetsadvies verandert niets. Je kunt er niet voor zakken. Voorbeeld: bij rekenen staat op de uitslag ‘op weg naar 1F’, ‘1F’ of ‘1S’. (Groep 8; vóór het schooljaar 2023-2024 heette dit de eindtoets.) De toetsen op de basisschool uitgelegd.
- Doortellen en terugtellen
- Vanaf een getal verder tellen om op te tellen, of terugtellen om af te trekken. Voorbeeld: voor 9 + 4 begin je bij 9 en tel je 4 verder: 10, 11, 12, 13. Voor 13 − 4 tel je vanaf 13 terug: 12, 11, 10, 9. (Doortellen tot 20 en terugtellen vanaf 10 bij de kleuters; vooruit en achteruit tot 100 in groep 3.) Meer over tellen en getalbegrip.
- Driehoek
- Een vlakke figuur met 3 rechte zijden en 3 hoeken. Een driehoek is gelijkzijdig (drie even lange zijden), gelijkbenig (twee even lange zijden) of ongelijkzijdig (drie verschillende zijden). Heeft hij een rechte hoek, dan heet hij rechthoekig. Voorbeeld: een driehoek met zijden van 5, 5 en 5 cm is gelijkzijdig, een van 6, 6 en 4 cm gelijkbenig, en een van 3, 4 en 5 cm is ongelijkzijdig en ook rechthoekig. (De naam bij de kleuters; de soorten driehoeken in de bovenbouw, per methode verschillend.) Meer over meetkunde en vormen.
- Dubbelen, verdubbelen en halveren
- Verdubbelen is twee keer zoveel nemen, dus keer 2; halveren is de helft nemen, dus gedeeld door 2. De ‘dubbelen’ zijn sommen als 6 + 6 en 8 + 8, die kinderen vroeg uit hun hoofd leren. Bij een keersom mag je het ene getal verdubbelen en het andere halveren: de uitkomst blijft gelijk. Voorbeeld: het dubbele van 7 is 14. 6 × 7 is het dubbele van 3 × 7, dus 2 × 21 = 42. En 18 × 25 = 9 × 50 = 450. (Dubbelen in groep 3; verdubbelen en halveren bij de tafels in groep 4 en 5.) Meer over hoofdrekenen.
E
- Eenheden, tientallen, honderdtallen en duizendtallen (E, T, H, D)
- De namen van de plaatsen in een getal, van rechts naar links. Tien eenheden zijn een tiental, tien tientallen een honderdtal en tien honderdtallen een duizendtal. Daarna komen de tienduizendtallen en de honderdduizendtallen. Op school staan ze vaak als kolommen met D H T E erboven. (Let op: ‘eenheid’ betekent ook een maat, zoals meter of liter.) Voorbeeld: 3475 is 3 duizendtallen, 4 honderdtallen, 7 tientallen en 5 eenheden: 3000 + 400 + 70 + 5. (Tientallen en eenheden in groep 4; honderdtallen in groep 5; tot 100.000 in groep 6.) Meer over tellen en getalbegrip.
- Etmaal
- Een dag en een nacht samen: 24 uur. Voorbeeld: van maandag 8.00 uur tot dinsdag 8.00 uur is één etmaal. (Groep 5.)
- Euro en cent
- Ons geld. 1 euro is 100 cent. Er zijn munten van 1, 2, 5, 10, 20 en 50 cent en van € 1 en € 2, en briefjes van € 5, € 10, € 20, € 50, € 100 en € 200. Munten van 1 en 2 cent zie je bijna niet meer, omdat contante betalingen worden afgerond op 5 cent. Voorbeeld: € 4,95 lees je als ‘vier euro vijfennegentig’, en € 0,45 is 45 cent. (Betalen met munten van 1 euro bij de kleuters; € 1, € 2, € 5 en € 10 in groep 3; alle munten en briefjes in groep 4; bedragen als € 4,95 schrijven in groep 5.) Meer over rekenen met geld.
- Even en oneven
- Een even getal kun je in twee gelijke groepjes verdelen zonder dat er iets overblijft. Even getallen eindigen op 0, 2, 4, 6 of 8. Bij een oneven getal blijft er altijd 1 over; oneven getallen eindigen op 1, 3, 5, 7 of 9. Voorbeeld: 34 is even, want 34 = 17 + 17. 27 is oneven: 13 + 13 = 26, en er blijft 1 over. (Groep 4.) Meer over tellen en getalbegrip.
- Evenwijdig en loodrecht
- Evenwijdige lijnen lopen overal even ver van elkaar af en komen elkaar nooit tegen, hoe lang je ze ook maakt. Loodrechte lijnen snijden elkaar in een rechte hoek; kinderen zeggen ook ‘haaks’. Voorbeeld: de twee rails van een spoorlijn zijn evenwijdig, en de twee streepjes van een plusteken (+) staan loodrecht op elkaar. (Bovenbouw, per methode verschillend.)
F
- Flitsen
- Een korte oefening waarbij de leerkracht een som een paar tellen laat zien, op een kaartje of op het digibord, en de kinderen zo snel mogelijk het antwoord zeggen. Zo oefenen ze sommen die ze vlot moeten kennen, vaak als warming-up aan het begin van de rekenles. Voorbeeld: de juf flitst 6 + 4, 8 + 2 en 3 + 7: allemaal verliefde harten, dus het antwoord is steeds 10. (In veel klassen vanaf groep 3.) Meer over hoofdrekenen.
G
- Gelijkheidsteken (=)
- Het teken = betekent ‘is evenveel als’. Het betekent niet ‘en nu komt het antwoord’. Kinderen lezen het vaak als ‘is’. Voorbeeld: 5 + 3 = 8 klopt, maar 8 = 5 + 3 en 4 + 4 = 5 + 3 kloppen net zo goed. (Groep 3.)
- Gelijknamig maken
- Breuken zo herschrijven dat ze dezelfde noemer krijgen. Dat is nodig als je breuken met verschillende noemers (ongelijknamige breuken) wilt optellen of aftrekken. Voorbeeld: ½ + ⅓: maak er zesden van. ½ = ³⁄₆ en ⅓ = ²⁄₆, dus ½ + ⅓ = ³⁄₆ + ²⁄₆ = ⅚. (Groep 8.) Meer over breuken.
- Gelijknamige breuken
- Breuken met dezelfde noemer. Die tel je op of trek je af door alleen de tellers op te tellen of af te trekken; de noemer blijft hetzelfde. Voorbeeld: ²⁄₇ + ⁶⁄₇ = ⁸⁄₇, en dat is 1 ¹⁄₇ (zie helen eruit halen). (Groep 7.) Meer over breuken.
- Gelijkwaardige breuken
- Breuken die er anders uitzien, maar evenveel waard zijn. Je vindt ze door de teller en de noemer met hetzelfde getal te vermenigvuldigen, of door hetzelfde getal te delen. Voorbeeld: ⅖ = ⁴⁄₁₀ = ⁸⁄₂₀ (teller en noemer steeds keer 2). En ½ = ²⁄₄ = ⁴⁄₈. (Groep 7.) Meer over breuken.
- Gemiddelde
- Eén getal dat laat zien wat ‘normaal’ is in een rij getallen: tel alle getallen op en deel door het aantal getallen. Voorbeeld: Noor haalt bij drie potjes 4, 6 en 8 punten. Samen is dat 18, en 18 : 3 = 6, dus gemiddeld haalt ze 6 punten. (In eenvoudige gevallen in groep 6; verder in groep 7.) Meer over tabellen en grafieken.
- Getalbeeld
- Een vaste schikking van stippen of vingers waaraan je meteen ziet hoeveel het er zijn, zonder te tellen. Voorbeeld: de vijf ogen op een dobbelsteen, of een hele hand en nog twee vingers: 7. (Hoeveelheden tot 6 zien zonder te tellen bij de kleuters; tot 20 met de vijf- en tienstructuur in groep 3.) Meer over tellen en getalbegrip.
- Getallenlijn
- Een lijn waarop getallen op volgorde staan, met gelijke afstanden ertussen. Op een lege getallenlijn staan nog geen getallen: kinderen zetten er zelf de getallen op die ze nodig hebben en maken sprongen. Voorbeeld: voor 8 + 5 spring je eerst 2 naar de 10 en dan nog 3 naar de 13. Voor 64 − 27 spring je van 64 eerst 20 terug naar 44 en dan 7 terug naar 37. (Getallen tot 20 op de getallenlijn in groep 3; de lege getallenlijn bij sommen tot 100 in groep 4.) Meer over optellen en aftrekken.
- Gewicht
- Hoe zwaar iets is. Op de basisschool spreek je van gewicht; je meet het in gram (g) en kilogram (kg), met een weegschaal of een balans. Voorbeeld: een zak aardappelen van 2,5 kg weegt 2500 gram. Liggen er op een balans aan de ene kant twee pakken van 500 g en aan de andere kant één pak van 1 kg, dan blijft de balans recht. (Zwaar en licht vergelijken bij de kleuters; de kilogram in groep 4; de gram in groep 5.) Meer over meten en wegen.
- Graad (°)
- De eenheid voor hoeken en voor temperatuur. Bij hoeken is een hele draai 360°, een halve draai 180° en een rechte hoek 90°. Bij temperatuur gaat het om graden Celsius (zie temperatuur). Voorbeeld: de wijzers van de klok staan om 3 uur in een hoek van 90°; buiten is het 21,5 °C. (Een thermometer op tienden van een graad aflezen in groep 6; hoeken meten in graden, met een geodriehoek, komt vooral op de middelbare school aan bod.)
- Gram (g)
- Een kleine gewichtsmaat. 1000 gram is 1 kilogram. Voorbeeld: een paperclip weegt ongeveer 1 gram, een stroopwafel ongeveer 30 gram. (Groep 5.) Meer over meten en wegen.
- Groter dan (>) en kleiner dan (<)
- Tekens om twee getallen te vergelijken. De open kant wijst altijd naar het grootste getal, de punt naar het kleinste. Voorbeeld: 9 > 4 (9 is groter dan 4) en 4 < 9 (4 is kleiner dan 9). En 4,3 > 4,25, ook al heeft 4,25 meer cijfers: 4,3 is 4,30. (Meer, minder en evenveel bij de kleuters; de tekens daarna, per methode verschillend; kommagetallen vergelijken in groep 7.)
H
- Half, de helft en anderhalf
- De helft is een van twee even grote delen. De helft nemen is delen door 2: halveren. Anderhalf is één en een half, 1 ½. Voorbeeld: de helft van 10 is 5, en anderhalf uur is 90 minuten. (De helft van een geheel en van een hoeveelheid in groep 4.) Meer over breuken.
- Half (op de klok)
- Bij klokkijken wijst ‘half’ vooruit naar het volgende uur: half vier is een half uur vóór vier uur, dus 3.30 uur. Dat vinden veel kinderen lastig in het begin. Voorbeeld: half vier is 3.30 uur of 15.30 uur; tien voor half vier is 3.20 uur; vijf over half vier is 3.35 uur. (Groep 4.) Meer over klokkijken.
- Hapmethode
- Een manier om op papier te delen door steeds een flinke ‘hap’ van het deeltal af te halen: een handig veelvoud van de deler, zoals 10, 20 of 100 keer. Aan het eind tel je de happen op. Veel scholen leren deze methode in plaats van de staartdeling, of eerst. Voorbeeld: 875 : 7. Haal eerst 100 × 7 = 700 eraf, dan blijft 175 over. Dan 20 × 7 = 140 eraf, blijft 35 over. Dan 5 × 7 = 35 eraf, blijft 0 over. Samen is dat 100 + 20 + 5 = 125 keer, dus 875 : 7 = 125. (Delen door een getal van één cijfer in groep 6; door een getal van twee cijfers in groep 7.) Meer over tafels, keer- en deelsommen.
- Hectare (ha) en are (a)
- Maten voor grote oppervlaktes, zoals een weiland of een bos. Een are is 100 m², een vierkant van 10 bij 10 meter. Een hectare is 10.000 m², een vierkant van 100 bij 100 meter. Voorbeeld: een voetbalveld van 105 bij 68 meter is 7140 m², dus ongeveer 0,7 hectare. En 1 km² = 100 ha. (Groep 7.) Meer over meten en wegen.
- Heel getal
- Een getal zonder breuk en zonder komma: 0, 1, 2, 3, enzovoort. Voorbeeld: 8 en 250 zijn hele getallen; 8,5 en ½ niet. (De hele basisschool door; het woord valt vooral vanaf groep 6, als kommagetallen en breuken erbij komen.)
- Helen eruit halen
- Een onechte breuk, waarvan de teller groter is dan de noemer, omzetten in een samengestelde breuk: een heel getal met een breuk. Voorbeeld: in ¹⁷⁄₃ zit 5 keer ³⁄₃ (samen ¹⁵⁄₃), en er blijven 2 derden over. Dus ¹⁷⁄₃ = 5 ⅔. (Groep 7.) Meer over breuken.
- Hoek (recht, scherp, stomp, gestrekt)
- De opening tussen twee lijnen die in één punt samenkomen. Een rechte hoek is een kwartslag, 90°, en wordt vaak met een vierkantje aangegeven. Een scherpe hoek is kleiner dan een rechte hoek, een stompe hoek is groter (maar kleiner dan 180°), en een gestrekte hoek is precies 180°: een rechte lijn. Voorbeeld: de wijzers van de klok maken om 1 uur een scherpe hoek (30°), om 3 uur een rechte hoek (90°), om 4 uur een stompe hoek (120°) en om 6 uur een gestrekte hoek (180°). (De soorten hoeken vooral in de bovenbouw, per methode verschillend; meten in graden vooral op de middelbare school.) Meer over meetkunde en vormen.
- Hoekpunt
- Een punt waar twee zijden van een vlakke figuur, of een paar ribben van een ruimtelijke figuur, samenkomen. Kinderen zeggen er vaak ‘hoek’ tegen. Voorbeeld: een driehoek heeft 3 hoekpunten, een kubus 8 en een piramide met een vierkant grondvlak 5. (Bovenbouw, per methode verschillend.)
- Honderdveld
- Een vierkant van 10 bij 10 vakjes met de getallen 1 tot en met 100, steeds tien op een rij. Je ziet er goed op hoe de getallen tot 100 zijn opgebouwd. Voorbeeld: één vakje naar rechts is 1 erbij, één rij omlaag is 10 erbij. Van 34 kom je zo met één rij omlaag op 44, en met twee rijen op 54. (Op veel scholen in groep 4, bij de getallen tot 100.) Meer over tellen en getalbegrip.
- Hoofdrekenen
- Rekenen in je hoofd, soms met een paar tussenantwoorden op een kladblaadje, met sommen die je al kent en handige strategieën. Voorbeeld: 99 + 47: tel er 100 bij, dat is 147, en haal er 1 af: 146. (Alle groepen.) Meer over hoofdrekenen, of bekijk deze strategieën voor hoofdrekenen.
- Horizontaal en verticaal
- Horizontaal is plat, recht van links naar rechts, zoals de horizon. Verticaal is recht omhoog, zoals een vlaggenmast. Voorbeeld: het blad van een tafel is horizontaal, de poten zijn verticaal. In een grafiek heet de liggende as de horizontale as. (Groep 7.)
I
- Inhoud
- Hoeveel er in iets past, of hoeveel ruimte iets inneemt. Een ander woord is volume. Bij vloeistoffen meet je de inhoud in liter, deciliter, centiliter en milliliter, bij dozen en kamers in kubieke centimeters of kubieke meters. De inhoud van een balk is lengte × breedte × hoogte. Voorbeeld: een aquarium van 50 cm lang, 30 cm breed en 40 cm hoog heeft een inhoud van 50 × 30 × 40 = 60.000 cm³. Dat is 60 dm³, dus 60 liter. (Vol en leeg bij de kleuters; liter en milliliter in groep 5; lengte × breedte × hoogte en cm³ in groep 7.) Meer over meten en wegen.
- Inwisselen
- Bij rekenen onder elkaar: een tiental omruilen voor 10 eenheden, of een honderdtal voor 10 tientallen, als een kolom te weinig heeft om van af te trekken. Vroeger zei je lenen. Bij optellen gaat het andersom: 10 eenheden worden samen 1 tiental, dat je onthoudt. Voorbeeld: 52 − 27 onder elkaar: 2 − 7 kan niet, dus je wisselt 1 tiental in voor 10 eenheden. Dan heb je 4 tientallen en 12 eenheden: 12 − 7 = 5 en 4 − 2 = 2. De uitkomst is 25. (Bij cijferend aftrekken, vanaf groep 5.) Meer over optellen en aftrekken.
J
- Jaar, maand en week
- Een jaar heeft 12 maanden en 365 dagen, of 366 in een schrikkeljaar. Een week heeft 7 dagen en begint in Nederland op maandag. Een kwartaal is 3 maanden, een decennium 10 jaar en een eeuw 100 jaar. Voorbeeld: 52 weken zijn 52 × 7 = 364 dagen, dus een jaar is 1 of 2 dagen langer dan 52 weken. (De dagen van de week in groep 3; de maanden, de seizoenen en de kalender in groep 4; kwartaal, schrikkeljaar, decennium en eeuw in groep 6.) Meer over klokkijken.
K
- Kegel
- Een ruimtelijke figuur met een rond grondvlak dat naar boven toe smaller wordt tot één punt, de top. Voorbeeld: een ijshoorntje, een feesthoedje of een verkeerspion. (Bovenbouw, per methode verschillend.)
- Kerndoelen
- Doelen die de overheid vastlegt voor wat elke basisschool haar leerlingen moet aanbieden, ook bij rekenen. Ze zeggen wat er aan het eind van de basisschool aan bod moet zijn gekomen, niet wat er in welke groep gebeurt. Dat bepalen de school en de rekenmethode. Voorbeeld: in de kerndoelen waar de meeste rekenmethodes op gebouwd zijn, staat dat ‘optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn’. (Voor de hele basisschool.) Zo wordt rekenen nu gegeven.
- Kilogram (kg)
- Een gewichtsmaat van 1000 gram. Vaak zeg je ‘kilo’. Voorbeeld: een pak suiker weegt 1 kg, en een kinderfiets weegt zo’n 10 tot 15 kg. (Groep 4.) Meer over meten en wegen.
- Kilometer (km)
- Een lengtemaat van 1000 meter. Voorbeeld: op de fiets doe je over 1 km ongeveer 4 minuten, lopend ongeveer een kwartier. Bij de Avondvierdaagse lopen kinderen vaak 5 km per avond. (Groep 5.) Meer over meten en wegen.
- Kolomsgewijs rekenen
- Rekenen onder elkaar met hele waarden, meestal van links naar rechts: eerst de honderdtallen, dan de tientallen, dan de eenheden. Je schrijft alle tussenantwoorden op en telt ze daarna op. Het ligt dichter bij hoofdrekenen dan cijferen. Voorbeeld: 456 + 378: 400 + 300 = 700, 50 + 70 = 120 en 6 + 8 = 14. Samen 700 + 120 + 14 = 834. (Groep 5. Of de klas kolomsgewijs rekent, cijfert of eerst het een en dan het ander doet, verschilt per school.) Meer over optellen en aftrekken.
- Kommagetal
- Een getal met een komma, zoals 2,5 of € 4,95. De cijfers achter de komma zijn tienden, honderdsten en duizendsten. In de klas zeggen ze ‘kommagetal’; het officiële woord is decimaal getal. In Nederland schrijf je een komma, nooit een punt. Voorbeeld: 3,25 = 3 + 0,2 + 0,05: 3 helen, 2 tienden en 5 honderdsten. (Geldbedragen met twee cijfers achter de komma in groep 5; kommagetallen met één en twee decimalen in groep 6; met drie decimalen in groep 7.) Meer over kommagetallen en procenten.
- Korting
- Het bedrag dat er van de prijs af gaat, vaak als percentage. Voorbeeld: 25% korting op een jas van € 80: 25% is een kwart, en een kwart van € 80 is € 20. De jas kost dan nog € 60. Gaat een prijs van € 150 naar € 105, dan is dat € 45 korting, en dat is 30%. (Korting uitrekenen in groep 7; het kortingspercentage zelf bepalen in groep 8.) Meer over kommagetallen en procenten.
- Kubieke meter (m³) of kuub
- Een maat voor inhoud: zoveel als er in een kubus van 1 meter lang, 1 meter breed en 1 meter hoog past. In de volksmond heet dat een kuub. 1 m³ = 1000 dm³ = 1000 liter. Kleinere maten zijn de kubieke decimeter (dm³, precies 1 liter) en de kubieke centimeter (cm³, precies 1 milliliter). Voorbeeld: een zandbak van 2 m lang, 1 m breed en 0,5 m diep bevat 2 × 1 × 0,5 = 1 m³ zand: één kuub. (Groep 7.) Meer over meten en wegen.
- Kubus
- Een ruimtelijke figuur met 6 even grote vierkante vlakken, 12 ribben en 8 hoekpunten. Voorbeeld: een dobbelsteen of een suikerklontje. (Groep 4.) Meer over meetkunde en vormen.
- Kwart (een vierde)
- Een van vier even grote delen: de helft van de helft. Je zegt ‘een kwart’ of ‘een vierde’, en ‘driekwart’ voor ¾. Voorbeeld: een kwart van de 20 kinderen in de klas is 5. (Groep 5.) Meer over breuken.
- Kwart over en kwart voor
- Kwart over drie is 15 minuten na drie uur: 3.15 uur of 15.15 uur. Kwart voor vier is 15 minuten voor vier uur: 3.45 uur of 15.45 uur. Voorbeeld: de voetbaltraining begint om kwart over vier ’s middags, dus om 16.15 uur. (Groep 4.) Meer over klokkijken.
- Kwartier
- Een kwart uur: 15 minuten. Vier kwartier is een uur. Voorbeeld: de kleine pauze duurt een kwartier, van 10.15 uur tot 10.30 uur. (Groep 4.)
L
- Leerlingvolgsysteem (LVS)
- Het systeem waarmee de school vanaf groep 3 bijhoudt hoe je kind zich ontwikkelt, onder meer met erkende toetsen voor taal en rekenen. Vaak is er een toets halverwege het schooljaar (‘midden’, rond januari of februari) en een aan het eind (‘eind’, rond juni). Ouders noemen ze vaak ‘de Cito-toetsen’, ook als de school een andere aanbieder gebruikt. Je kunt er niet voor slagen of zakken: ze laten zien hoe je kind groeit. Voorbeeld: op veel scholen heet de middentoets van groep 5 ‘M5’ en de eindtoets ‘E5’. (Groep 3 tot en met 8; kleuters maken geen verplichte toetsen.) De toetsen op de basisschool uitgelegd.
- Legenda
- De uitleg bij een kaart, diagram of grafiek: wat betekenen de kleuren, symbolen of plaatjes? Voorbeeld: in de legenda van een beelddiagram staat ‘één appel = 10 kinderen’, en in de legenda van een kaart staat een blauwe lijn voor water. (Groep 5; kaarten met een legenda in groep 6.) Meer over tabellen en grafieken.
- Lenen
- Het woord dat veel ouders nog kennen voor inwisselen bij cijferend aftrekken. Veel scholen zeggen nu ‘inwisselen’, omdat dat beter zegt wat er gebeurt: je geeft het tiental niet terug, je ruilt het om. Voorbeeld: 834 − 548: 4 − 8 kan niet, dus je ‘leent’ 1 tiental: 14 − 8 = 6. Dan 2 − 4 kan niet, dus je leent 1 honderdtal: 12 − 4 = 8. Dan 7 − 5 = 2. De uitkomst is 286. (Vanaf groep 5, bij cijferen.)
- Lijngrafiek
- Een grafiek waarin punten met lijnen zijn verbonden, vaak om te laten zien hoe iets verandert in de tijd. Stijgt de lijn, dan neemt het toe; daalt de lijn, dan neemt het af. Voorbeeld: de temperatuur in de schooltuin, elk uur gemeten van 9.00 tot 15.00 uur. (Lezen in groep 6; zelf tekenen in groep 7.) Meer over tabellen en grafieken.
- Liter (l)
- Een inhoudsmaat, vooral voor vloeistoffen. 1 liter = 10 deciliter (dl) = 100 centiliter (cl) = 1000 milliliter (ml). Voorbeeld: een pak melk bevat 1 liter, een blikje frisdrank 33 cl en een flesje water vaak 50 cl, een halve liter. (Liter en milliliter in groep 5; deciliter en centiliter in groep 6.) Meer over meten en wegen.
M
- MAB-materiaal
- Blokjes om getallen mee te bouwen: losse blokjes voor de eenheden, staafjes van 10 blokjes voor de tientallen, plakken van 10 staafjes voor de honderdtallen en een groot blok van 10 plakken voor de duizendtallen. Voorbeeld: 243 bouw je met 2 plakken, 4 staafjes en 3 losse blokjes. (Op veel scholen in groep 4 en 5.) Meer over tellen en getalbegrip.
- Meter (m)
- De basismaat voor lengte. 1 meter is 100 centimeter, en 1000 meter is 1 kilometer. Voorbeeld: een deur is ongeveer 2 meter hoog, en een grote stap van een volwassene is ongeveer 1 meter. (Groep 4.) Meer over meten en wegen.
- Metriek stelsel
- Ons systeem van maten, waarin elke stap 10 keer zo groot of 10 keer zo klein is. Bij lengte zijn dat de kilometer (km), hectometer (hm), decameter (dam), meter (m), decimeter (dm), centimeter (cm) en millimeter (mm). Bij gewicht en inhoud werken kilo-, hecto-, deca-, deci-, centi- en milli- precies zo, met de gram en de liter in het midden. Een bekend ezelsbruggetje voor de volgorde is ‘Koning Hendrik Dronk Maar Drie Centiliter Melk’: kilo, hecto, deca, meter, deci, centi, milli. Voorbeeld: 2,37 m = 2 m en 37 cm = 237 cm, en 4,5 km = 4 km en 500 m = 4500 m. (De mm, dm en km in groep 5; hm in groep 6; dam en het rijtje voorvoegsels in groep 7; het hele metriek stelsel voor lengte, oppervlakte, inhoud en gewicht in groep 8.) Meer over meten en wegen.
- Miljoen, miljard en biljoen
- Grote getallen. Een miljoen is duizend keer duizend: 1.000.000. Een miljard is duizend miljoen: 1.000.000.000. Een biljoen is duizend miljard: een 1 met twaalf nullen. Let op: het Engelse ‘billion’ is ons miljard, niet ons biljoen. Voorbeeld: 1.425.000 is ruim 1,4 miljoen. Een ton is 100.000 en een half miljoen is 500.000. (Getallen tot een miljoen in groep 7; miljard in groep 8.) Meer over tellen en getalbegrip.
- Milliliter (ml)
- Een kleine inhoudsmaat. In 1 liter gaan 1000 milliliter. Voorbeeld: een theelepel bevat ongeveer 5 ml, een kopje thee ongeveer 200 ml. (Groep 5.)
- Millimeter (mm)
- Een kleine lengtemaat. In 1 centimeter gaan 10 millimeter. Voorbeeld: de kleine streepjes tussen de centimeters op een liniaal zijn millimeters, dus 4,5 cm is 45 mm. Een munt van € 1 is iets meer dan 23 mm breed. (Groep 5.)
Sommige rekenwoorden betekenen in het dagelijks leven iets anders. ‘Tafel’, ‘even’, ‘cijfer’, ‘som’, ‘verschil’, ‘product’, ‘inhoud’ en ‘breuk’ hebben in de rekenles een eigen betekenis, en daar kan een kind over struikelen. Kijkt je kind vragend naar een verhaaltjessom, vraag dan wat het denkt dat zo’n woord in deze som betekent.
N
- Negatieve getallen
- Getallen kleiner dan nul, met een minteken ervoor. Op de basisschool kom je ze vooral tegen bij de temperatuur. Voorbeeld: −4 °C is kouder dan −2 °C. Stijgt de temperatuur van −5 °C met 6 graden, dan wordt het 1 °C: −5 + 6 = 1. (Temperaturen onder nul in groep 7; rekenen op de getallenlijn in groep 8.) Meer over meten en wegen.
- Noemer
- Het getal onder de breukstreep. Het zegt in hoeveel even grote delen het geheel is verdeeld, en het geeft de delen hun naam: vierden, vijfden, achtsten. Voorbeeld: in ¾ is 4 de noemer: het geheel is in 4 gelijke delen verdeeld. (Groep 6.) Meer over breuken.
- Nul
- Het getal 0: niets. In een getal houdt de nul een plaats vrij, zodat de andere cijfers op de goede plek blijven staan. Voorbeeld: in 205 laat de 0 zien dat er geen tientallen zijn; zonder de nul zou er 25 staan. (De getallen 0 tot en met 10 herkennen bij de kleuters; de nul als plaatshouder vanaf groep 4.)
O
- Omtrek
- De lengte van de rand rondom een vlakke figuur, helemaal rond. Bij een rechthoek is de omtrek 2 × (lengte + breedte). Voorbeeld: een rechthoek van 5 cm lang en 3 cm breed heeft een omtrek van 5 + 3 + 5 + 3 = 16 cm, of 2 × (5 + 3) = 16 cm. (Meten of hokjes tellen in groep 4; vierkanten en rechthoeken in groep 5; de regel 2 × (l + b) in groep 6.) Meer over meten en wegen.
- Onechte breuk
- Een breuk waarvan de teller even groot is als de noemer of groter, zodat hij 1 of meer waard is. Voorbeeld: ⁷⁄₄ is een onechte breuk: 4 vierden zijn één hele, en er blijven 3 vierden over, dus ⁷⁄₄ = 1 ¾. (Groep 7, bij helen eruit halen.)
- Onthouden
- Bij cijferend optellen of vermenigvuldigen: komt een kolom op 10 of meer, dan schrijf je de eenheden op en neem je het tiental mee naar de volgende kolom. Dat onthoudcijfertje zet je vaak klein boven die kolom. Voorbeeld: 38 + 25 onder elkaar: 8 + 5 = 13, 3 opschrijven, 1 onthouden. 3 + 2 = 5, plus 1 is 6. De uitkomst is 63. (Groep 5, bij cijferen.)
- Oppervlakte
- Hoeveel ruimte een vlakke figuur inneemt, gemeten in vierkantjes: vierkante centimeters (cm²), vierkante meters (m²) enzovoort. Bij een rechthoek is de oppervlakte lengte × breedte. Voorbeeld: in een rechthoek van 5 cm lang en 3 cm breed passen 3 rijen van 5 vierkantjes van 1 bij 1 cm, dus de oppervlakte is 5 × 3 = 15 cm². (Hokjes tellen in groep 5; cm², dm², m² en lengte × breedte in groep 6; hectare en km² in groep 7.) Meer over meten en wegen.
- Optellen
- Hoeveelheden samenvoegen om te weten hoeveel het er samen zijn, met het plusteken +. Kinderen zeggen ‘plussom’ of ‘erbij’. De uitkomst heet de som of het totaal. Voorbeeld: 4 knikkers en nog 3 knikkers zijn samen 7 knikkers: 4 + 3 = 7. (Met echte spullen bij de kleuters; het plusteken in groep 3.) Meer over optellen en aftrekken.
P
- Patroon
- Een rij vormen, kleuren of getallen die volgens een vaste regel verdergaat. Wie de regel ontdekt, kan voorspellen wat er komt. Voorbeeld: rood-blauw-blauw, rood-blauw-blauw… gaat verder met rood. In de rij 100, 93, 86, 79 gaat er steeds 7 af, dus daarna komt 72. (Kralen rijgen en patronen leggen bij de kleuters; getallenrijen in groep 5.) Meer over verhoudingen en patronen.
- Piramide
- Een ruimtelijke figuur met een grondvlak en driehoekige zijvlakken die bovenin in één punt samenkomen, de top. Voorbeeld: een piramide met een vierkant grondvlak, zoals de piramides in Egypte, heeft 5 vlakken, 8 ribben en 5 hoekpunten. (De bouwplaat van een piramide in groep 4; de naam in groep 6.)
- Positiewaarde
- De waarde die een cijfer heeft door de plaats waar het in een getal staat. Ook wel plaatswaarde genoemd. Voorbeeld: in 352 is de 5 vijftig waard, maar in 523 is dezelfde 5 vijfhonderd waard. (Groep 4.) Meer over tellen en getalbegrip.
- Priemgetal
- Een heel getal dat precies twee delers heeft: 1 en zichzelf. Voorbeeld: de priemgetallen tot 20 zijn 2, 3, 5, 7, 11, 13, 17 en 19. Het getal 1 is geen priemgetal, want het heeft maar één deler, en 2 is het enige even priemgetal. (Staat niet in de SLO-doelen voor de basisschool; kinderen leren priemgetallen meestal op de middelbare school.)
- Procent (%)
- Een aantal per honderd. ‘Procent’ betekent ‘van de honderd’. Voorbeeld: 25% is 25 van de 100, en dat is evenveel als ¼. 50% van 40 is 20, en 10% van € 35 is € 3,50. (Procenten tot 100% in groep 7; boven de 100%, zoals bij rente, btw en groei, in groep 8.) Meer over kommagetallen en procenten.
- Product
- De uitkomst van een keersom. (In het dagelijks leven is een product iets wat je koopt.) Voorbeeld: het product van 6 en 7 is 42. (Het woord valt vaak bij de tafels, vanaf groep 4.)
R
- Rechthoek
- Een vierhoek met vier rechte hoeken, waarvan de tegenover elkaar liggende zijden even lang zijn. Een vierkant is een bijzondere rechthoek, met vier even lange zijden. Voorbeeld: een deur, een A4’tje of een schoolbord. (De naam bij de kleuters, in groep 1 en 2.) Meer over meetkunde en vormen.
- Referentieniveau (1F en 1S)
- Landelijke afspraken over wat kinderen aan het eind van groep 8 moeten kunnen bij taal en rekenen. Voor rekenen zijn er twee niveaus: 1F, het fundamentele niveau dat bijna elk kind zou moeten halen, en 1S, het hogere streefniveau dat veel kinderen halen. Ze gaan over vier domeinen: Getallen, Verhoudingen, Meten en meetkunde, en Verbanden. Voorbeeld: op de uitslag van de doorstroomtoets staat bij rekenen ‘op weg naar 1F’, ‘1F’ of ‘1S’. (Eind groep 8.) De toetsen op de basisschool uitgelegd.
- Rekenmachine
- Een apparaatje (of app) om mee te rekenen. Kinderen leren de knoppen gebruiken, maar ook nadenken over wat er op het schermpje staat, en vooraf schatten of de uitkomst kan kloppen. Op sommige rekenmachines staat een punt waar wij een komma schrijven. Voorbeeld: 29 kinderen gaan op schoolreisje met busjes van 8 plaatsen. 29 : 8 geeft 3,625. Dat betekent niet 3 busjes: je hebt er 4 nodig. (Groep 7; in groep 8 bij sommen met meer stappen, en weten wanneer je hem wel of niet pakt.)
- Rekenmethode
- De boeken, schriften en vaak een digitaal programma waarmee een school rekenen geeft. Elke school kiest haar eigen rekenmethode, en die bepaalt mee in welke volgorde en in welke groep iets aan bod komt, en hoe kinderen leren rekenen onder elkaar. Voorbeeld: werkt de methode met de hapmethode, dan krijgt je kind de staartdeling misschien pas later of helemaal niet. Vraag de juf of meester welke methode de klas gebruikt. (Alle groepen.) Zo wordt rekenen nu gegeven.
- Rekenrek
- Een rekje met 20 kralen in twee rijen van 10; elke rij heeft 5 rode en 5 witte kralen. Door die kleuren zien kinderen in één keer hoeveel kralen ze hebben geschoven, zonder te tellen. Voorbeeld: 8 is op de bovenste rij 5 rode en 3 witte kralen. Bij 7 + 6 schuif je 7 kralen boven en 6 onder: je ziet 5 + 5 = 10 rode en nog 2 + 1 = 3 witte kralen, samen 13. (Op veel scholen bij de kleuters en in groep 3.) Meer over optellen en aftrekken.
- Rest
- Wat er overblijft als een deling niet precies uitkomt. Voorbeeld: 17 : 5 = 3 rest 2, want 3 × 5 = 15 en er blijven 2 over. Doe je 72 knikkers in zakjes van 5, dan krijg je 14 zakjes en houd je er 2 over: 72 : 5 = 14 rest 2. (Groep 5; delen met rest op papier in groep 6.) Meer over tafels, keer- en deelsommen.
- Resultatief tellen
- Tellen om te weten hoeveel het er zijn: elk voorwerp één keer aanwijzen, bij elk voorwerp één telwoord zeggen, en begrijpen dat het laatste telwoord het aantal is. Daaraan gaan het akoestisch tellen (de telrij opzeggen: een, twee, drie…) en het synchroon tellen (bij elk voorwerp precies één telwoord) vooraf. Voorbeeld: een kleuter wijst 6 knikkers een voor een aan, telt hardop mee en zegt dan: ‘Het zijn er zes.’ (Groep 1 en 2.) Meer over tellen en getalbegrip.
- Rib
- De lijn waar twee vlakken van een ruimtelijke figuur samenkomen. Voorbeeld: een kubus heeft 12 ribben: 4 boven, 4 onder en 4 staande. (Bovenbouw, per methode verschillend.) Meer over meetkunde en vormen.
- Rijgen
- Een manier van hoofdrekenen: je houdt het eerste getal heel en telt het tweede getal er in stukken bij, of haalt het er in stukken af, alsof je sprongen maakt op de getallenlijn. Meestal gaan eerst de tientallen en dan de eenheden. Voorbeeld: 64 − 27: 64 − 20 = 44, en 44 − 7 = 37. Of 45 + 38: 45 + 30 = 75, en 75 + 8 = 83. (Groep 4.) Meer over optellen en aftrekken.
- Ruimtelijke figuur
- Een figuur met een lengte, een breedte en een hoogte, die je kunt vastpakken. Het tegenovergestelde van een vlakke figuur. Voorbeeld: een kubus, een balk, een bol, een cilinder, een kegel en een piramide. (Kubus, balk, bol en cilinder benoemen in groep 4.) Meer over meetkunde en vormen.
- Ruit
- Een vierhoek met vier even lange zijden. De tegenover elkaar liggende hoeken zijn even groot. Een vierkant is een ruit met vier rechte hoeken. Voorbeeld: het verkeersbord voor een voorrangsweg, een geel vierkant op zijn punt, is een ruit (en ook een vierkant). (Bovenbouw, per methode verschillend.)
S
- Samengestelde breuk (gemengd getal)
- Een heel getal en een breuk samen. Voorbeeld: 2 ⅓ (twee en een derde) is een samengestelde breuk; als onechte breuk is dat ⁷⁄₃. Anderhalf is 1 ½. (Groep 6.) Meer over breuken.
- Schaal
- Hoeveel keer kleiner (of groter) een tekening of kaart is dan in het echt. Schaal 1 : 100 betekent: 1 cm op de tekening is 100 cm, dus 1 meter, in het echt. Voorbeeld: op een plattegrond met schaal 1 : 100 is het klaslokaal 8 cm lang, dus in het echt 8 meter. Op een fietskaart met schaal 1 : 50.000 is 1 cm in het echt 50.000 cm, en dat is 500 meter. (Schaal in woorden in groep 6; schaal 1 : 100 in groep 7; 1 : 50.000 op een kaart in groep 8.) Meer over verhoudingen en patronen.
- Schatten (schattend rekenen)
- Ongeveer uitrekenen wat de uitkomst wordt, meestal met afgeronde getallen. Zo zie je of een antwoord kan kloppen. Voorbeeld: 298 + 405 is ongeveer 300 + 400 = 700, dus 703 klinkt goed en 1003 niet. En 8 × 39 is ongeveer 8 × 40 = 320. (Groep 4; bij keersommen in groep 5.) Meer over hoofdrekenen.
- Schrikkeljaar
- Een jaar met 366 dagen in plaats van 365, omdat er 29 februari bij komt. Dat gebeurt bijna altijd eens in de vier jaar. Voorbeeld: 2024 en 2028 zijn schrikkeljaren. Wie op 29 februari jarig is, viert dat in de andere jaren op 28 februari of 1 maart. (Groep 6.)
- Snelheid
- Hoe ver je in een bepaalde tijd komt, vaak in kilometer per uur (km/u). Voorbeeld: fiets je 15 km/u, dan ben je na 2 uur 30 km verder, en over 5 km doe je 20 minuten. (Groep 5; verder in groep 6.) Meer over verhoudingen en patronen.
- Som
- Een woord met twee betekenissen. In de klas is ‘een som’ elke rekenopgave: ‘maak de sommen op bladzijde 12’. In de wiskunde is de som de uitkomst van een optelling. Voorbeeld: de som van 6 en 9 is 15. (De hele basisschool.) Meer over optellen en aftrekken.
- Spiegelas en symmetrie
- Een figuur is symmetrisch als je er een lijn door kunt trekken zodat de ene helft het spiegelbeeld is van de andere. Die lijn heet de spiegelas (of symmetrieas). Vouw je de figuur over de spiegelas, dan vallen de helften precies op elkaar. Voorbeeld: een vierkant heeft 4 spiegelassen, een rechthoek 2 en de hoofdletter A 1. (Een spiegelbeeld tekenen in groep 4; de woorden symmetrie en spiegelas in groep 5.) Meer over meetkunde en vormen.
- Splitsen
- Een getal in twee of meer delen verdelen. In de klas heeft het woord twee betekenissen. In groep 3 leren kinderen de splitsingen tot en met 10 uit het hoofd: 7 kun je splitsen in 1 en 6, 2 en 5, of 3 en 4. In groep 4 is splitsen ook een manier van hoofdrekenen: je splitst beide getallen in tientallen en eenheden. Voorbeeld: 34 + 27: 30 + 20 = 50, 4 + 7 = 11, en 50 + 11 = 61. (De splitsingen in groep 3; splitsen als strategie bij sommen tot 100 in groep 4.) Splitsen en sommen tot 20.
- Splitshuisje (en splitsboom)
- Een tekening om splitsingen te oefenen: een huisje met een getal in het dak en daaronder kamertjes met steeds twee getallen die samen het getal in het dak maken. Een splitsboom laat hetzelfde zien met twee takken. Voorbeeld: een huisje met 8 in het dak heeft de kamertjes 0 | 8, 1 | 7, 2 | 6, 3 | 5 en 4 | 4. (Op veel scholen in groep 3.) Splitsen en sommen tot 20.
- Staafdiagram
- Een diagram met staven van verschillende lengte, om hoeveelheden te laten zien en te vergelijken. Voorbeeld: reikt de staaf bij ‘hond’ tot de 8, dan kozen 8 kinderen de hond als lievelingsdier. (Groep 3, ook zelf maken door hokjes in te kleuren.) Meer over tabellen en grafieken.
- Staartdeling
- De klassieke manier om op papier te delen, cijfer voor cijfer. Je zet de deler links, het deeltal in het midden en de uitkomst rechts: 11 / 135 \ 12. Voorbeeld: 135 : 11. In 13 past 11 één keer, en 13 − 11 = 2. Haal de 5 erbij: 25. In 25 past 11 twee keer (22), en 25 − 22 = 3. Dus 135 : 11 = 12 rest 3. Controle: 12 × 11 + 3 = 135. (Delen op papier vanaf groep 6; of de klas de staartdeling of de hapmethode gebruikt, verschilt per school en per rekenmethode.) Meer over tafels, keer- en deelsommen.
- Stambreuk
- Een breuk met 1 als teller: één deel van een geheel. Voorbeeld: ½, ⅓, ¼ en ⅒ zijn stambreuken; ⅗ niet. (Groep 6.) Meer over breuken.
- Strokenmodel
- Een tekening met stroken (rechthoeken) die laat zien hoe de getallen in een verhaaltjessom bij elkaar horen, zodat je ziet welke som je moet maken. Bij procenten gebruiken kinderen een procentenstrook: een strook van 0% tot 100% met de bedragen eronder. Voorbeeld: ‘Daan heeft 15 stickers en geeft er 6 weg.’ Teken een strook van 15 met een stuk van 6 en een onbekend stuk: 15 − 6 = 9. (Op veel scholen vanaf groep 4 of 5; de procentenstrook in groep 7.) Meer over verhoudingen en patronen.
Of een woord echt is blijven hangen, merk je als je kind het zelf kan uitleggen met een eigen voorbeeld: ‘Laat eens zien wat de omtrek van deze tafel is.’ Lukt dat, dan heeft je kind het begrepen. Lukt het nog niet, zoek het woord dan samen op in deze lijst.
T
- Tafels (tafeltjes)
- De keersommen van 1 × 1 tot en met 10 × 10, per getal geordend: de tafel van 1, de tafel van 2, enzovoort. Kinderen zeggen vaak ‘tafeltjes’. De tafels van 11 en 12 horen er meestal niet bij. Voorbeeld: 7 × 8 = 56 staat in de tafel van 7 en in de tafel van 8. (De tafels van 1, 2, 3, 4, 5 en 10 in groep 4; alle tafels tot en met 10 in groep 5; de deeltafels in groep 6.) Tafels oefenen.
- Tangram
- Een Chinese legpuzzel van zeven stukken (vijf driehoeken, een vierkant en een parallellogram) waarmee je allerlei figuren kunt leggen. Voorbeeld: met de twee kleinste driehoeken leg je precies het vierkantje na, en met alle zeven stukken samen een groot vierkant. (Groep 5.) Meer over meetkunde en vormen.
- Teller
- Het getal boven de breukstreep. Het telt hoeveel van de gelijke delen je hebt. Een handig ezelsbruggetje: de teller telt, de noemer noemt. Voorbeeld: in ¾ is 3 de teller: je hebt 3 van de 4 gelijke delen. (Groep 6.) Meer over breuken.
- Temperatuur
- Hoe warm of koud iets is, in graden Celsius (°C), gemeten met een thermometer. Voorbeeld: water bevriest bij 0 °C en kookt bij 100 °C, en je lichaam is ongeveer 37 °C. Van −3 °C naar 4 °C is het 7 graden warmer geworden. (Een thermometer op tienden van een graad aflezen in groep 6; temperaturen onder nul in groep 7.) Meer over meten en wegen.
- Terugrekenen
- Een antwoord controleren met de omgekeerde som. Een minsom controleer je met een plussom, een deelsom met een keersom. Voorbeeld: is 834 − 548 = 286? Reken terug: 286 + 548 = 834. Het klopt. En 24 : 4 = 6, want 6 × 4 = 24. (Groep 3, bij sommen tot 20; daarna in alle groepen.)
- Tienden, honderdsten en duizendsten
- De plaatsen achter de komma. Een tiende is een van 10 gelijke delen van een geheel (0,1), een honderdste een van 100 gelijke delen (0,01) en een duizendste een van 1000 gelijke delen (0,001). Voorbeeld: 10 cent is een tiende van een euro (€ 0,10), 1 cent een honderdste (€ 0,01), en 1 mm is een duizendste van een meter. 6,175 = 6 + 0,1 + 0,07 + 0,005. (Tienden en honderdsten in groep 6; duizendsten in groep 7.) Meer over kommagetallen en procenten.
- Ton
- Een woord met twee betekenissen. Als gewicht is een ton 1000 kilogram. Als getal is ‘een ton’ honderdduizend (100.000), vooral bij geldbedragen. Voorbeeld: een kleine auto weegt ongeveer een ton, en een huis van drie ton kost € 300.000. (Groep 7.)
- Trapezium
- Een vierhoek met één paar evenwijdige zijden. Voorbeeld: een emmer is van opzij gezien een trapezium: bovenaan breder dan onderaan. (Bovenbouw, per methode verschillend.)
- Turven
- Tellen met streepjes. Voor elk ding zet je een streepje; het vijfde streepje zet je schuin door de vier vorige heen, zodat je bundeltjes van 5 krijgt. Voorbeeld: twee bundeltjes en nog 3 streepjes is 13. (Turven als manier om hoeveelheden snel te zien in groep 3; turven bij het maken van tabellen in groep 4.) Meer over tabellen en grafieken.
U
- Uitkomst
- Het antwoord van een som. Bij een optelling heet de uitkomst ook de som, bij een aftrekking het verschil, bij een keersom het product en bij een deelsom het quotiënt. Voorbeeld: bij 45 : 9 is de uitkomst 5. (De hele basisschool.)
- Uur, minuut en seconde
- Maten voor tijd. 1 uur = 60 minuten en 1 minuut = 60 seconden; een kwartier is 15 minuten. Voorbeeld: een film van 15.15 uur tot 17.00 uur duurt 1 uur en 45 minuten, dus 105 minuten. En 2 minuten zijn 120 seconden. (Hele uren in groep 3; minuten en tijdsduur uitrekenen in groep 5; omrekenen tussen uren, minuten en seconden in groep 6.) Meer over klokkijken.
V
- Veelhoek
- Een vlakke, gesloten figuur met alleen rechte zijden. De naam zegt hoeveel hoeken, en dus ook zijden, hij heeft: driehoek, vierhoek, vijfhoek, zeshoek. Zijn alle zijden even lang en alle hoeken even groot, dan heet de veelhoek regelmatig. Voorbeeld: een stopbord is een regelmatige achthoek. Een cirkel is geen veelhoek, want hij heeft geen rechte zijden. (Groep 6.) Meer over meetkunde en vormen.
- Veelvoud
- Een getal uit de tafel van een ander getal: wat je krijgt als je dat getal met een heel getal vermenigvuldigt. Voorbeeld: de veelvouden van 5 zijn 5, 10, 15, 20, enzovoort. 35 is een veelvoud van 5 en ook van 7. (Sprongen van 2, 5 en 10 in groep 4; het woord veelvoud meestal later.)
- Verdeelstrategie
- Een lastige keersom verdelen in twee keersommen die je wel kent, en de uitkomsten optellen. Voorbeeld: 8 × 36 = 8 × 30 + 8 × 6 = 240 + 48 = 288. En 9 × 7 = 5 × 7 + 4 × 7 = 35 + 28 = 63. (Groep 5.) Meer over tafels, keer- en deelsommen.
- Vereenvoudigen
- Een breuk schrijven met zo klein mogelijke getallen, door de teller en de noemer door hetzelfde getal te delen. De breuk blijft evenveel waard. Voorbeeld: ⁶⁄₈ = ¾ (teller en noemer gedeeld door 2), en ⁹⁄₁₂ = ¾ (gedeeld door 3). (Groep 7.) Meer over breuken.
- Verhaaltjessom (contextsom)
- Een som in een verhaaltje of een situatie. Op school heet dat een contextsom of contextopgave. De kunst is om uit het verhaal te halen welke som je moet maken. Voorbeeld: ‘Fenna koopt 3 zakjes drop van € 1,25. Hoeveel betaalt ze?’ Dat is 3 × € 1,25 = € 3,75. (Alle groepen; geldbedragen keer een heel getal vanaf groep 6.)
- Verhouding
- Hoe twee hoeveelheden bij elkaar horen: hoeveel van het een hoort bij hoeveel van het ander. Je schrijft het bijvoorbeeld als 1 : 5, of zegt ‘1 op de 3’. Voorbeeld: voor limonade meng je 1 deel siroop met 5 delen water; voor 2 bekers siroop heb je dus 10 bekers water nodig. ‘1 op de 3 kinderen fietst naar school’: in een klas van 27 zijn dat er 9. (Groottes vergelijken bij de kleuters; verhoudingen als 4 : 5 en ‘1 op de 3’ in groep 6.) Meer over verhoudingen en patronen.
- Verhoudingstabel
- Een tabel met twee rijen waarin de getallen steeds in dezelfde verhouding blijven. Een typisch Nederlands rekenmodel, dat kinderen gebruiken bij recepten, prijzen, procenten en delen. Voorbeeld: voor 4 pannenkoeken heb je 100 gram bloem nodig. Verdubbelen: 8 pannenkoeken, 200 gram. Halveren: 2 pannenkoeken, 50 gram. Optellen: 8 + 2 = 10 pannenkoeken, dus 200 + 50 = 250 gram. (Een eerste, voorgestructureerde verhoudingstabel in groep 4; zelf gebruiken vanaf groep 5.) Meer over verhoudingen en patronen.
- Verliefde harten
- Twee getallen die samen 10 maken: 1 en 9, 2 en 8, 3 en 7, 4 en 6, 5 en 5 (en 0 en 10). Op veel scholen heten ze ‘verliefde harten’ of ‘verliefde getallen’, vaak getekend als twee getallen in een hartje. Ze zijn de basis voor rekenen via het tiental. Voorbeeld: 7 en 3 zijn verliefde harten. Bij 7 + 5 denk je: 7 + 3 = 10, en dan nog 2 erbij: 12. (Groep 3.) Splitsen en sommen tot 20.
- Vermenigvuldigen
- Gelijke groepjes samen nemen, met het keerteken × (‘keer’ of ‘maal’). Kinderen zeggen ‘keersom’. Voorbeeld: 3 zakjes met elk 4 pepernoten zijn 4 + 4 + 4 = 12 pepernoten: 3 × 4 = 12. (Tellen in groepjes in groep 3; het keerteken en de eerste tafels in groep 4.) Meer over tafels, keer- en deelsommen.
- Verschil
- Hoeveel het ene getal groter of kleiner is dan het andere. Je vindt het door af te trekken of door aan te vullen. Voorbeeld: Sem is 9 jaar en zijn zus Lotte 12: het verschil is 3 jaar. (Groep 3 en 4.) Meer over optellen en aftrekken.
- Verwisselen
- Bij optellen en vermenigvuldigen mag je de getallen omdraaien: de uitkomst blijft hetzelfde. Bij aftrekken en delen mag dat niet. Voorbeeld: 3 + 6 = 6 + 3 en 4 × 6 = 6 × 4, maar 8 − 3 is niet hetzelfde als 3 − 8. Handig: 2 + 9 reken je sneller uit als 9 + 2. (Bij optellen in groep 3; bij keersommen in groep 4.)
- Via het tiental (over het tiental)
- Een optelling of aftrekking in twee stappen splitsen, zodat je eerst precies op een tiental uitkomt. Voorbeeld: 8 + 5 = 8 + 2 + 3 = 13, en 12 − 5 = 12 − 2 − 3 = 7. Tot 100 werkt het net zo: 37 + 8 = 37 + 3 + 5 = 45. (Tot 20 in groep 3; tot 100 in groep 4.) Meer over hoofdrekenen.
- Vierkant
- Een vierhoek met vier even lange zijden en vier rechte hoeken. Voorbeeld: elk hokje op een ruitjesblad, of een tegel op het schoolplein. (De naam bij de kleuters, in groep 1 en 2.)
- Vijfstructuur (en tienstructuur)
- Getallen zien als 5 en nog wat, zoals op je vingers (een hele hand en nog een paar) of op het rekenrek. Met de tienstructuur zie je getallen tot 20 als 10 en nog wat. Zo hoeven kinderen niet alles een voor een te tellen. Voorbeeld: 7 is een hele hand en 2 vingers: 5 + 2. En 16 is 10 + 5 + 1. (Groep 3.) Meer over tellen en getalbegrip.
- Vlak
- Een platte buitenkant van een ruimtelijke figuur. Voorbeeld: een kubus heeft 6 vlakken, allemaal vierkanten. Een cilinder heeft 2 platte vlakken en één gebogen vlak. (Bovenbouw, per methode verschillend.)
- Vlakke figuur
- Een platte figuur met een lengte en een breedte, maar zonder dikte, zoals een figuur die op papier is getekend. Voorbeeld: een cirkel, een driehoek, een vierkant en een rechthoek. (Deze vier benoemen bij de kleuters, in groep 1 en 2.) Meer over meetkunde en vormen.
- Volgorde van bewerkingen
- De afspraak over wat je eerst uitrekent in een som met meer bewerkingen: eerst wat tussen haakjes staat, dan vermenigvuldigen en delen (van links naar rechts), en dan optellen en aftrekken (ook van links naar rechts). Veel ouders kennen nog het ezelsbruggetje ‘Meneer Van Dalen Wacht Op Antwoord’. Dat is wel wat misleidend: vermenigvuldigen en delen staan op gelijke hoogte, net als optellen en aftrekken. Die reken je van links naar rechts uit. Voorbeeld: 4 + 5 × 6 = 4 + 30 = 34, maar (4 + 5) × 6 = 9 × 6 = 54. (Groep 8.)
W
- Windrichtingen en windroos
- De vier windrichtingen zijn noord, oost, zuid en west. Op een windroos staan er acht: N, NO, O, ZO, Z, ZW, W en NW. Voorbeeld: de zon komt op in het oosten en staat ’s middags in het zuiden. Van Groningen naar Maastricht ga je ongeveer naar het zuiden. (De vier windrichtingen in groep 6; de windroos met acht richtingen in groep 8.) Meer over meetkunde en vormen.
- Wisselgeld
- Het geld dat je terugkrijgt als je met meer betaalt dan iets kost. Voorbeeld: een boek kost € 3,40 en je betaalt met een briefje van € 5. Je krijgt € 1,60 terug, want € 5 − € 3,40 = € 1,60. Je kunt het ook uitrekenen door aan te vullen, zoals aan de kassa: € 3,40 + € 0,60 = € 4, en € 4 + € 1 = € 5. (Briefjes wisselen in groep 4; wisselgeld van een briefje tot € 100 in groep 5.) Meer over rekenen met geld.
- Wisselkoers
- Hoeveel geld van een ander land je krijgt voor je euro’s. Voorbeeld: stel dat je op vakantie voor € 1 precies 10 kronen krijgt. Voor € 50 krijg je dan 500 kronen, en een ijsje van 30 kronen kost € 3. (Groep 8.) Meer over rekenen met geld.
Z
- Zeshoek
- Een vlakke figuur met 6 rechte zijden en 6 hoekpunten. In een regelmatige zeshoek zijn alle zijden even lang en zijn alle hoeken 120°. Voorbeeld: elke cel in een honingraat is een zeshoek. Zeshoeken passen precies tegen elkaar zonder gaten, omdat drie hoeken van 120° samen 360° maken. (Groep 6.) Meer over meetkunde en vormen.
- Zijde
- Een van de rechte lijnen die samen de rand van een vlakke figuur vormen. Kinderen zeggen vaak ‘kant’. Voorbeeld: een driehoek heeft 3 zijden, en een vierkant heeft 4 even lange zijden. (Bovenbouw, per methode verschillend.)
Oefenen met Indie
Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.