Leren › Onderwerpen › Tabellen en grafieken
Uitleg per onderwerp
Tabellen en grafieken
Met data, of gegevens, bedoelen we informatie die je verzamelt om een vraag te beantwoorden, bijvoorbeeld: ‘Welk fruit nemen de meeste kinderen uit onze klas mee voor de kleine pauze?’ Meestal gaat het om getallen, of om antwoorden die je kunt tellen. Een tabel of een grafiek zet die gegevens overzichtelijk op een rij, zodat je het antwoord, en alles wat opvalt, snel ziet. Op school hoort dit onderwerp bij het domein Verbanden, een van de vier domeinen van de referentieniveaus voor rekenen (naast Getallen, Verhoudingen en Meten en meetkunde). Het begint al bij de kleuters, met dingen op een rij leggen en tellen, en loopt door tot en met groep 8.
Wat kinderen per groep leren
Deze tabel volgt de tussendoelen per groep van SLO, het landelijke expertisecentrum voor het curriculum. Het precieze moment verschilt per school en per rekenmethode.
| Groep | Wat ze leren |
|---|---|
| Groep 1 en 2 | Nog geen echte grafieken, maar hier begint het wel: sorteren (de blokken op kleur, de knopen op grootte), voorwerpen in rijen naast elkaar leggen en vergelijken met woorden als meer, minder, evenveel, meeste en minste. Zo'n rij is eigenlijk al een eerste beelddiagram. |
| Groep 3 | Een eenvoudig beelddiagram en staafdiagram aflezen, en zelf een staafdiagram maken door hokjes in te kleuren. Patronen voortzetten. |
| Groep 4 | Een eenvoudige tabel, een beelddiagram en een staafdiagram lezen en gebruiken. Turven: tellen met streepjes, in groepjes van vijf. |
| Groep 5 | Tabellen, beelddiagrammen en staafdiagrammen, nu ook met een legenda die vertelt wat een plaatje of een kleur betekent. Getallenrijen voortzetten, zoals 100, 93, 86, 79 … (steeds 7 eraf). |
| Groep 6 | Beelddiagrammen waarin één plaatje voor 100 staat. Een cirkeldiagram en een lijngrafiek leren aflezen. Het gemiddelde uitrekenen in eenvoudige gevallen. |
| Groep 7 | De woorden bij een grafiek: horizontale as en verticale as (of x-as en y-as), legenda, stijgen en dalen. Zelf een lijngrafiek tekenen. Coördinaten met positieve getallen. Een cirkeldiagram invullen dat in tien gelijke stukken is verdeeld, en procenten aflezen in een cirkeldiagram. Het gemiddelde. |
| Groep 8 | Kiezen welke tabel of grafiek het best bij de gegevens past. Ontwikkelingen zien en conclusies trekken. Grafieken kritisch lezen: klopt wat er beweerd wordt? |
De belangrijkste ideeën
1. Het begint met een vraag
Een grafiek is geen kleurplaat: hij geeft antwoord op een vraag. Je doorloopt steeds dezelfde stappen: een vraag bedenken, gegevens verzamelen, ze ordenen, ze in een tabel of grafiek zetten en die aflezen om de vraag te beantwoorden. Vaak levert dat meteen een nieuwe vraag op, en begint het rondje opnieuw. Laat je kind zelf de vraag kiezen, bijvoorbeeld ‘Welke kleur fiets staat het vaakst in het fietsenrek bij school?’, dan wordt de rest vanzelf een stuk interessanter.
2. Turven en tabellen
Bij turven zet je een streepje voor elk ding dat je telt, op het moment dat je het ziet: elke auto die langs school rijdt, elk kind dat ‘appel’ zegt. Het vijfde streepje gaat schuin door de eerste vier heen, zodat er een groepje van vijf ontstaat. Tellen gaat dan per vijf: bij drie groepjes en twee losse streepjes tel je 5, 10, 15, 16, 17.
Daarna gaan de getallen in een tabel. Een tabel lees je door de goede rij en de goede kolom te zoeken en te kijken waar ze elkaar kruisen. Dit is de stand van een jeugdcompetitie waarin een overwinning 3 punten oplevert en een gelijkspel 1 punt:
| Team | Gespeeld | Gewonnen | Gelijk | Verloren | Punten |
|---|---|---|---|---|---|
| De Bijen | 6 | 4 | 1 | 1 | 13 |
| De Vlinders | 6 | 3 | 2 | 1 | 11 |
| De Meeuwen | 6 | 2 | 1 | 3 | 7 |
| De Reigers | 6 | 1 | 0 | 5 | 3 |
De Bijen staan bovenaan met 4 × 3 + 1 = 13 punten. De Vlinders staan 2 punten achter (13 − 11 = 2). Zo'n stand vind je elke week in de app of op de site van de sportclub: mooi oefenmateriaal, en voor veel kinderen een stuk spannender dan een rijtje sommen.
3. Kijk altijd naar de legenda en de schaal
In de eerste beelddiagrammen staat elk plaatje voor één ding. Vanaf groep 5 vertelt de legenda wat een plaatje waard is, en dat kan meer zijn. Staat er dat één appeltje 2 kinderen betekent, dan is een half appeltje 1 kind, en zijn 3½ appeltjes 7 kinderen. In groep 6 kan één plaatje zelfs voor 100 staan, bijvoorbeeld bij het aantal bezoekers van de bieb. Bij een staafdiagram kijk je naar de getallen langs de verticale as. Die gaan soms per 2, per 5 of per 10 omhoog, dus een staaf die precies halverwege 10 en 20 eindigt, staat voor 15. De eerste vraag bij elke grafiek is daarom: wat is één plaatje, of één stap op de as, waard?
Stel bij elke grafiek drie soorten vragen. Aflezen: ‘Hoeveel kinderen kozen een banaan?’ Vergelijken: ‘Hoeveel kinderen meer kozen druiven dan een banaan?’ Nadenken: ‘Waarom zouden druiven zo populair zijn? Zou er in een andere klas hetzelfde uitkomen, of in de winter?’ Die derde soort vraag oefenen kinderen het minst, en juist daar zie je of ze het echt begrijpen.
4. Een lijngrafiek laat zien hoe iets verandert
Een lijngrafiek laat zien hoe iets verandert, meestal in de loop van de tijd: de temperatuur op een dag, of hoeveel de zonnebloem in de klas elke week groeit. Langs de horizontale as staat de tijd, langs de verticale as wat je hebt gemeten. Gaat de lijn omhoog, dan stijgt de temperatuur; gaat hij omlaag, dan daalt hij.
De punten worden met elkaar verbonden, omdat de waarden daartussen ook bestaan: om 11.00 uur was er ook een temperatuur, al heeft niemand die gemeten. Op de lijn lees je af dat het toen ongeveer 11 °C was. Bij het fruit voor de kleine pauze verbind je de toppen van de staven juist niet: tussen ‘appel’ en ‘banaan’ zit niets. In groep 7 tekenen kinderen zelf een lijngrafiek en leren ze een punt aanwijzen met coördinaten: eerst opzij langs de horizontale as, dan omhoog langs de verticale as.
5. Een cirkeldiagram laat delen van het geheel zien
Een cirkeldiagram is een cirkel die in stukken is verdeeld. Elk stuk laat zien welk deel van het totaal bij een groep hoort. In groep 6 leren kinderen een cirkeldiagram aflezen. In groep 7 vullen ze er zelf een in dat al in tien gelijke stukken is verdeeld: elk stuk is dan ⅒ van het geheel, en dat is 10%.
Juf Sanne vraagt aan de 30 kinderen van groep 7 hoe ze naar school komen. 15 kinderen komen op de fiets, 9 lopend en 6 met de auto. Elk tiende deel van de cirkel staat voor 30 : 10 = 3 kinderen. De fietsers krijgen dus 15 : 3 = 5 stukken, de lopers 9 : 3 = 3 stukken en de kinderen die met de auto komen 6 : 3 = 2 stukken. Samen is dat 5 + 3 + 2 = 10 stukken: de hele cirkel.
Zo hangt het cirkeldiagram samen met breuken en procenten: 15 van de 30 is ½, en dat is 50%.
6. Het gemiddelde is eerlijk verdelen
Het gemiddelde komt in groep 6 en 7 aan bod. Je telt alle waarden bij elkaar op en deelt door het aantal waarden. Groep 6 leest een week lang elke ochtend de regenmeter op het schoolplein af: maandag 4 mm, dinsdag 7 mm, woensdag 0 mm, donderdag 6 mm en vrijdag 3 mm. Samen is dat 4 + 7 + 0 + 6 + 3 = 20 mm, en 20 : 5 = 4. Er viel dus gemiddeld 4 mm regen per dag.
Zie het als eerlijk verdelen: was dezelfde hoeveelheid regen gelijk over de vijf dagen verdeeld, dan was er elke dag 4 mm gevallen. Let op de droge woensdag: die telt ook mee. Wie alleen door 4 deelt, komt op 5 mm uit, en dat is te veel.
7. De goede grafiek kiezen, en kritisch kijken
In groep 8 leren kinderen zelf kiezen welke weergave het best past:
- een tabel als je de precieze getallen wilt kunnen opzoeken;
- een staafdiagram of beelddiagram om groepen met elkaar te vergelijken;
- een lijngrafiek om te laten zien hoe iets verandert in de loop van de tijd;
- een cirkeldiagram om te laten zien welk deel van het geheel elke groep is.
Ze leren ook dat een grafiek je iets kan laten geloven wat niet klopt. Begint de verticale as bij 90 in plaats van bij 0, dan lijkt een staaf van 96 ineens drie keer zo lang als een staaf van 92, terwijl het verschil maar 4 is. En als drie kinderen zeggen dat ze spruitjes lekker vinden, weet je nog niets over de hele school. Kritisch lezen betekent dus: waar komen de gegevens vandaan, hoeveel mensen zijn er gevraagd, en waar begint de as?
Veelgemaakte fouten
- De schaal over het hoofd zien: elk streepje op de as als 1 tellen, terwijl de as per 2 of per 5 oploopt.
- De legenda vergeten: de plaatjes in een beelddiagram tellen, terwijl elk plaatje voor 2 of voor 10 staat.
- Turven verkeerd tellen: een groepje van vijf als 4 of 6 lezen, of het vijfde streepje rechtop zetten in plaats van schuin.
- Een ongelijke schaal tekenen: 0, 5, 10 en 20 op gelijke afstanden langs de as zetten, of de staven niet bij 0 laten beginnen.
- Overal een lijn doorheen trekken: een lijngrafiek maken bij groepen waar niets tussen zit, zoals soorten fruit.
- Bij het gemiddelde door het verkeerde getal delen: bij 0, 5 en 7 is het gemiddelde 12 : 3 = 4, niet 12 : 2 = 6. Een 0 telt ook mee.
- Cirkeldiagrammen met verschillende totalen vergelijken: de helft van 100 mensen (50) is meer dan de helft van 20 mensen (10), ook al zien de stukken er even groot uit.
- De assen omdraaien: bij coördinaten eerst omhoog gaan in plaats van eerst opzij.
Spelletjes van vijf minuten voor thuis
- Verkeer turven. Ga bij het raam staan of op een bankje bij school zitten, en turf vijf minuten lang wat er langskomt: fietsen, auto's, bussen en wandelaars. Wat kwam het vaakst langs? Hoeveel meer?
- Enquête aan tafel. Je kind bedenkt een vraag (‘Wat eten we zaterdag: pannenkoeken, patat of soep?’), vraagt het aan iedereen, ook aan opa en oma, en tekent een beelddiagram voor op de koelkast.
- Staafdiagram van de was. Sorteer de schone was in sokken, shirts en broeken en maak van elke soort een stapel. Naast elkaar zijn dat drie staven: een staafdiagram in het echt.
- Weerman of weervrouw. Lees een week lang elke dag op hetzelfde tijdstip de buitentemperatuur af, of zet een regenmeter in de tuin of op het balkon. Teken samen een lijngrafiek, en reken vanaf groep 6 ook het gemiddelde uit.
- De stand van de competitie. Bekijk samen de stand van het voetbal- of hockeyteam van je kind. Klopt het aantal punten, als winst 3 punten oplevert en gelijkspel 1? Hoeveel punten moet de nummer twee nog inhalen?
- Welke vraag hoort erbij? Laat een grafiek zien uit de krant, het weerbericht of een app. Op welke vraag geeft hij antwoord? En wat vertelt hij níét?
De uitdaging van IndieIndie heeft een beelddiagram gemaakt van de bloemen die haar vriendinnen bezoeken. Volgens de legenda staat elk honingpotje voor 10 bijen. Bij de madeliefjes staan 3½ potjes, bij de lavendel 5 potjes. Hoeveel bijen bezochten de madeliefjes? En hoeveel bijen meer gingen er naar de lavendel? Bekijk het antwoord
3 hele potjes zijn 3 × 10 = 30 bijen, en een half potje is de helft van 10, dus 5 bijen. Bij de madeliefjes waren 30 + 5 = 35 bijen. Bij de lavendel waren 5 × 10 = 50 bijen, dus daar gingen 50 − 35 = 15 bijen meer heen.
Gratis werkbladen tabellen en grafieken
Print ze om thuis of in de klas te oefenen. Op de tweede bladzijde van elk werkblad staan de antwoorden.
Een staafdiagram aflezenGroep 3, Groep 4 · Het lievelingsfruit van de klasDownload pdfSnelle antwoorden
Tellen met streepjes, terwijl het gebeurt. Voor elk ding zet je één streepje, en elk vijfde streepje gaat schuin door de vier ervoor, zodat je per vijf kunt tellen. In de SLO-doelen staat turven in groep 4; als handige structuur om snel te tellen zien kinderen het soms al in groep 3.
In een beelddiagram tel je plaatjes, en de legenda vertelt wat elk plaatje waard is. In een staafdiagram lees je de lengte van elke staaf af aan de getallen langs de as, die per 1, 2, 5, 10 of meer kunnen oplopen. Kinderen leren ze allebei al in groep 3 aflezen, eerst met eenvoudige voorbeelden.
Tel alle waarden bij elkaar op en deel door het aantal waarden. Het gemiddelde van 2, 4 en 9 is 15 : 3 = 5.
In groep 6 leren ze een cirkeldiagram aflezen. In groep 7 komen de procenten erbij en vullen ze zelf een cirkeldiagram in dat in tien stukken is verdeeld. Het precieze moment verschilt per rekenmethode.
De uitleg bij een grafiek of kaart: wat elk plaatje, elke kleur of elk symbool betekent. Bij een beelddiagram staat er bijvoorbeeld: één appeltje = 2 kinderen. Kinderen leren de legenda in groep 5 kennen en gebruiken hem in groep 6 ook bij kaarten (meer daarover bij meetkunde en vormen).
Oefenen met Indie
Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.