Leren › Onderwerpen › Breuken

Uitleg per onderwerp

Breuken

Breuken zijn eerlijk delen! Snijd ik een stuk honingraat in 4 even grote stukjes en eet ik er 1 op, dan heb ik een kwart gehad. ‘Even groot’, daar draait het om.

Een breuk is een deel van een geheel dat in even grote delen is verdeeld. Je schrijft een breuk met twee getallen en een streepje ertussen, de breukstreep. Het getal onder de streep, de noemer, vertelt in hoeveel gelijke delen het geheel is verdeeld. Het getal erboven, de teller, vertelt hoeveel van die delen je hebt. Een handig ezelsbruggetje: de noemer noemt de naam van de stukjes (vierden, vijfden), de teller telt hoeveel het er zijn.

Van de 4 even grote stukken zijn er 3 gekleurd: bij de pannenkoek en bij de strook is ¾ (driekwart) gekleurd.

Wat kinderen per groep leren

Breuken horen bij het domein Verhoudingen van de referentieniveaus, de landelijke afspraken over wat kinderen aan het eind van groep 8 beheersen. De tabel volgt de tussendoelen per groep van SLO, het landelijke expertisecentrum voor het curriculum. Het precieze moment verschilt per school en per rekenmethode.

GroepWat ze leren
Groep 1 en 2Eerlijk verdelen met echte spullen, bijvoorbeeld 12 knikkers over 3 kinderen, en iets doormidden delen. Nog geen breuken op papier.
Groep 3Eerlijk verdelen met minder dan 20 dingen. Breuken zelf komen nog niet aan bod.
Groep 4De helft van een geheel (een halve appel) en van een hoeveelheid (de helft van 12 is 6). Op de klok komen het halve uur en het kwartier.
Groep 5Een kwart van een geheel en van een hoeveelheid: een kwart van de 20 kinderen in de klas is 5. Een kwartier is 15 minuten.
Groep 6Breuken als getallen: teller, noemer en breukstreep, met een horizontale of een schuine streep (¾ of 3/4). Stambreuken zoals ¼ en samengestelde breuken zoals 2 ⅓. Breuken vergelijken (¾ liter is meer dan ½ liter), op de getallenlijn zetten en aanvullen tot 1 (²⁄₇ + ⁵⁄₇ = 1). ⅕ van € 60 is € 12.
Groep 7Gelijkwaardige breuken (⅖ = ⁴⁄₁₀ = ⁸⁄₂₀), vereenvoudigen (⁹⁄₁₂ = ¾) en helen eruit halen (¹⁷⁄₃ = 5 ⅔). Gelijknamige breuken optellen en aftrekken: ²⁄₇ + ⁶⁄₇ = ⁸⁄₇ = 1 ¹⁄₇. Breuken als kommagetal (⅕ = 0,2) en als procent. ⅘ van 350 is 280. Eenvoudig delen door een breuk in een situatie: hoeveel bakjes van ¼ liter vul je met 5 liter soep? 20.
Groep 8Ongelijknamige breuken optellen en aftrekken door ze eerst gelijknamig te maken (½ + ⅓ = ³⁄₆ + ²⁄₆ = ⅚). Een heel getal keer een breuk (6 × ⅗ = 3 ⅗), een breuk keer een breuk (¾ × ⅝ = ¹⁵⁄₃₂) en delen door een breuk of een samengestelde breuk: hoe vaak past ¼ liter in 1 ½ liter? 6 keer.

Breuken uitspreken

De meeste breuken spreek je uit met een rangtelwoord: ⅓ is ‘een derde’, ⅔ ‘twee derde’, ⅕ ‘een vijfde’, ⅛ ‘een achtste’, ⅒ ‘een tiende’ en ⁵⁄₁₂ ‘vijf twaalfde’. Twee breuken hebben een eigen naam: ½ is ‘een half’ en ¼ is ‘een kwart’ (of ‘een vierde’). ¾ heet dan ‘driekwart’ of ‘drie vierde’. Bij een samengestelde breuk zeg je het hele getal erbij: 2 ½ is ‘tweeënhalf’, en 1 ½ heet ‘anderhalf’. ‘Een half’ en ‘de helft’ zijn hetzelfde: je zegt ‘een halve pizza’, maar ‘de helft van 10 is 5’.

De belangrijkste ideeën

1. De stukken moeten even groot zijn

Kinderen noemen elk stuk al snel ‘de helft’, en aan tafel hoor je het geregeld: ‘Ik wil de grootste helft!’ Vouw papier, snijd een boterham of een pannenkoek, verdeel de pepernoten, en vraag steeds: ‘Zijn alle stukken even groot?’ Een pannenkoek in twee ongelijke stukken is niet in helften verdeeld. Andersom hoeven even grote stukken niet dezelfde vorm te hebben: een boterham die je schuin doorsnijdt, levert net zo goed twee helften op als een boterham die je recht doorsnijdt.

2. Een breuk van een vorm of van een hoeveelheid

Een halve pizza en de helft van 8 snoepjes: het is hetzelfde idee. Om een breuk van een hoeveelheid uit te rekenen, deel je eerst door de noemer en doe je de uitkomst dan keer de teller. Voor ¾ van 12: 12 : 4 = 3, en 3 × 3 = 9. Met een tekening zie je meteen waarom:

12 verdeeld in 4 gelijke groepjes geeft 3 per groepje. Drie van die groepjes zijn ¾ van 12: dat is 9.

Veel rekenmethodes zetten zo’n som ook in een verhoudingstabel. Voor ¾ van 120 liter: het geheel (⁴⁄₄) is 120 liter, dus ¼ is 120 : 4 = 30 liter en ¾ is 3 × 30 = 90 liter.

breuk⁴⁄₄¼¾
liter1203090

3. Grotere noemer, kleinere stukken

Veel kinderen denken dat ⅛ meer is dan ¼, omdat 8 meer is dan 4. Laat het zien met iets echts: een taart die je met 8 mensen deelt, geeft ieder een kleiner stuk dan dezelfde taart met 4 mensen. Daar komen twee regels uit. Bij dezelfde noemer is de breuk met de grootste teller het grootst: ⅗ is meer dan ⅖. Bij dezelfde teller is de breuk met de kleinste noemer het grootst: ¼ is meer dan ⅛.

4. Breuken zijn ook getallen

Vanaf groep 6 krijgen breuken een plek op de getallenlijn, net als hele getallen. Dan zien kinderen ook dat een breuk groter kan zijn dan 1.

0¼½¾11¼1½1¾2
Een getallenlijn van 0 tot 2 in kwarten. De gekleurde strook is 7 kwart lang: ⁷⁄₄ = 1 ¾.

Een breuk waarvan de teller groter is dan de noemer, zoals ⁷⁄₄, heet een onechte breuk. Je kunt hem ook schrijven als samengestelde breuk: een heel getal met een breuk erbij, ⁷⁄₄ = 1 ¾. Dat omzetten heet in de klas helen eruit halen. Voor ¹⁷⁄₃ reken je uit hoe vaak 3 in 17 past: 5 keer, en er blijft 2 over. Dus ¹⁷⁄₃ = 5 ⅔.

5. Verschillende breuken kunnen evenveel zijn

½ = ²⁄₄ = ⁴⁄₈. Het gekleurde stuk is bij alle drie de stroken even lang.

Dat zijn gelijkwaardige breuken. Vermenigvuldig je de teller en de noemer met hetzelfde getal, dan blijft de breuk evenveel waard: ⅖ = ⁴⁄₁₀ = ⁸⁄₂₀. Deel je ze allebei door hetzelfde getal, dan vereenvoudig je de breuk: ⁹⁄₁₂ = ¾ (teller en noemer gedeeld door 3). Dit komt in groep 7 aan bod, en daar helpen de tafels enorm: wie ze goed kent, ziet meteen dat 9 en 12 allebei in de tafel van 3 zitten.

De tip van Indie

Bij het optellen van breuken tel je de noemers nooit bij elkaar op. ¼ + ¼ is twee kwart, ²⁄₄ (en dat is ½), en geen ²⁄₈. Laat je kind de som hardop zeggen: ‘een kwart plus een kwart is twee kwart’, net zoals ‘een appel plus een appel is twee appels’. Dan verdwijnt de fout vaak vanzelf.

6. Optellen en aftrekken: eerst dezelfde stukjes

Breuken met dezelfde noemer heten gelijknamig. Die tel je op of trek je af door alleen de tellers op te tellen of af te trekken; de noemer blijft hetzelfde: ²⁄₇ + ⁶⁄₇ = ⁸⁄₇ = 1 ¹⁄₇. Dat leren kinderen in groep 7. In groep 8 komen de ongelijknamige breuken, met verschillende noemers. Die maak je eerst gelijknamig: je zoekt gelijkwaardige breuken met dezelfde noemer. Voor ½ + ⅓ worden het allebei zesden: ³⁄₆ + ²⁄₆ = ⅚. En ¾ − ⅔ wordt ⁹⁄₁₂ − ⁸⁄₁₂ = ¹⁄₁₂.

In groep 8 maken kinderen ook keer- en deelsommen met breuken, meestal in een situatie. 6 × ⅗ is zes keer drie vijfde: ¹⁸⁄₅ = 3 ⅗. Bij een breuk keer een breuk doe je teller keer teller en noemer keer noemer: ¾ × ⅝ = ¹⁵⁄₃₂. En delen door een breuk betekent: hoe vaak past het erin? Hoeveel bekers van ¼ liter schenk je uit een fles limonade van 1 ½ liter? 1 ½ : ¼ = 6, want uit 1 liter schenk je 4 bekers en uit de halve liter nog 2.

7. Breuken, kommagetallen en procenten horen bij elkaar

Een breuk is eigenlijk ook een deelsom: ¾ is 3 : 4, en dat is 0,75. Zo is ½ = 0,5 = 50%, ¼ = 0,25 = 25%, ⅕ = 0,2 = 20% en ⅒ = 0,1 = 10%. Dat verband leggen kinderen in groep 7. Meer daarover lees je bij kommagetallen en procenten.

Veelgemaakte fouten

Spelletjes van vijf minuten voor thuis

De uitdaging van IndieIndie heeft een honingraat met 36 cellen. Ze vult ⅔ van de cellen met honing en ¼ van de cellen met stuifmeel. Hoeveel cellen blijven er leeg? Bekijk het antwoord

⅔ van 36: 36 : 3 = 12, en 2 × 12 = 24 cellen met honing. ¼ van 36: 36 : 4 = 9 cellen met stuifmeel. Samen zijn dat 24 + 9 = 33 cellen, dus er blijven 36 − 33 = 3 cellen leeg. Zit je kind in groep 8, dan kan het ook met breuken: ⅔ + ¼ = ⁸⁄₁₂ + ³⁄₁₂ = ¹¹⁄₁₂. Er blijft ¹⁄₁₂ leeg, en ¹⁄₁₂ van 36 is 3.

Gratis werkbladen breuken

Print ze om thuis of in de klas te oefenen. Op de tweede bladzijde van elk werkblad staan de antwoorden.

Voorbeeld van het werkblad ‘Welk deel is gekleurd?’Welk deel is gekleurd?Groep 5, Groep 6 · Halven, derden, kwarten en meerDownload pdf
Voorbeeld van het werkblad ‘Breuken van een getal’Breuken van een getalGroep 6, Groep 7 · Zoals ½ van 12 en ¾ van 20Download pdf
Voorbeeld van het werkblad ‘Gelijkwaardige breuken’Gelijkwaardige breukenGroep 7, Groep 8 · Vind het getal dat ontbreektDownload pdf

Snelle antwoorden

Wat is een stambreuk?

Een breuk met een 1 als teller, zoals ½, ⅓ of ⅒. Het is precies één van de gelijke delen. Kinderen leren het woord meestal in groep 6.

Wat is het verschil tussen een onechte breuk en een samengestelde breuk?

Bij een onechte breuk is de teller groter dan de noemer, zoals ⁷⁄₄; die is meer dan een geheel. Een samengestelde breuk is een heel getal met een breuk erbij, zoals 1 ¾. Het zijn twee manieren om hetzelfde getal te schrijven: ⁷⁄₄ = 1 ¾.

In welke groep beginnen breuken?

De helft komt in groep 4 en een kwart in groep 5. Breuken met een teller en een noemer leren kinderen in groep 6, en in groep 7 en 8 leren ze ermee rekenen. Het precieze moment verschilt per school en per rekenmethode.

Wat betekent gelijknamig maken?

Breuken omzetten in gelijkwaardige breuken met dezelfde noemer, zodat je ze kunt vergelijken, optellen of aftrekken. Voor ⅔ en ¾ kies je twaalfden, want 12 zit in de tafel van 3 en in de tafel van 4: ⅔ = ⁸⁄₁₂ en ¾ = ⁹⁄₁₂. Dus ¾ is groter. Dat leren kinderen in groep 8.

In Beequation Kids hebben breuken hun eigen wereld, het Breukenbos, waar Indie meehelpt als je kind even vastzit.

Oefenen met Indie

Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.

Verder leren