Voor ouders
Zo help je je kind thuis met rekenen
Je hoeft geen rekenwonder te zijn om je kind met rekenen te helpen. Wat thuis het meeste verschil maakt, is niet of je de manier van de juf of meester kent, maar hoe rekenen voelt: is het iets wat je samen doet, rustig en vaak, of iets wat eindigt in tranen aan de keukentafel? Over dat gevoel gaat deze gids.
Elke dag een beetje
Vijf minuten per dag doet veel meer dan een uur op zondagmiddag. Korte momenten houden je kind fris, en wat steeds terugkomt, blijft hangen. Het mooiste is dat het meeste niet eens op ‘sommen maken’ hoeft te lijken:
- Tel samen de traptreden als je naar bed gaat, en tel ze ’s ochtends op weg naar beneden terug in sprongen van 2.
- Op de fiets of in de auto: ‘Hoeveel is 6 + 7?’ En laat je kind jou er daarna een stellen.
- Bij het tafeldekken: ‘Opa en oma eten vanavond mee. Hoeveel vorken hebben we nodig?’
- Op het perron: ‘De trein vertrekt om 16.52 uur en het is nu 16.45 uur. Hoeveel minuten moeten we nog wachten?’ (7 minuten.)
Meer van zulke ideeën, per groep geordend, vind je bij rekenen in het dagelijks leven.
Praat over rekenen en stel goede vragen
Kinderen leren veel door hun denken onder woorden te brengen. In de klas moeten ze ook uitleggen hoe ze een som hebben aangepakt, dus dezelfde vragen thuis helpen echt. Probeer deze eens:
- ‘Hoe heb je dat uitgerekend?’
- ‘Kan het ook op een andere manier?’
- ‘Kun je het tekenen, of laten zien met deze knopen?’
- ‘Wat valt je op?’
- ‘Ongeveer hoeveel denk je dat het wordt?’ (Op school heet dat schatten. Zo merkt je kind sneller dat een antwoord niet kan kloppen.)
- ‘Klopt dat altijd, soms of nooit?’
Stel deze vragen ook als het antwoord goed is. Hoort je kind ‘hoe heb je dat uitgerekend?’ alleen na een fout, dan leert het dat die vraag ‘het is fout’ betekent, en dan wil het niets meer uitleggen.
Prijs de inzet, niet hoe slim je kind is
‘Wat ben jij slim!’ klinkt lief, maar het kan averechts werken. Een kind dat vooral slim genoemd wordt, gaat moeilijke sommen soms uit de weg, voor het geval het dan toch niet zo slim blijkt te zijn. Prijs liever wat je kind gedaan heeft:
- ‘Je bleef het proberen, ook toen het lastig werd.’
- ‘Goed dat je je antwoord nog hebt gecontroleerd.’
- ‘Toen het niet lukte, probeerde je een andere manier.’
- ‘Dat ging mis, maar kijk eens hoeveel je daarvan hebt geleerd.’
Geef je kind ook twee kleine, krachtige woordjes mee: nog niet. Zegt je kind ‘ik kan geen minsommen over het tiental’, antwoord dan: ‘Je kunt het nog niet.’ Zo hoort je kind: ik kan het nog niet, maar ik ben het aan het leren.
Fouten horen bij leren. Leerkrachten vinden ze vaak juist nuttig, omdat ze laten zien hoe een kind denkt. Dat kun jij ook: ‘Interessant! Vertel eens hoe je het hebt gedaan.’
Laat je kind de juf of meester zijn
Een van de beste dingen die je kunt zeggen, is: ‘Ik weet niet meer hoe dat moet. Wil jij het me uitleggen?’ Kan je kind jou stap voor stap voordoen hoe het onder elkaar optelt, dan snapt het dat echt. Loopt het halverwege vast, dan weet je precies waar het lastig wordt, zonder dat er een toets aan te pas komt.
Zit je kind vast, pak dan niet meteen zelf het potlood. Vraag ‘Wat weet je al?’ of ‘Waar zou je kunnen beginnen?’, en wacht minstens tien tellen voordat je weer iets zegt. In die stilte gebeurt het denkwerk.
Huiswerk zonder ruzie
Op de basisschool is er meestal weinig huiswerk; op veel scholen begint het pas echt in groep 6 of 7. Wel vraagt de juf of meester soms om thuis de tafeltjes of de sommen tot 20 te oefenen. Met deze aanpak blijft het kort en ontspannen:
- Kies een goed moment. Niet direct na school met een lege maag, en niet vlak voor bedtijd. Eerst iets eten en drinken helpt.
- Lees de opdracht samen. Achter veel ‘ik snap het niet’ zit eigenlijk ‘ik snap niet wat de vraag is’. Bij een verhaaltjessom (op school: een contextsom) helpt het om te vragen: ‘Wat weet je al, en wat moet je uitzoeken?’
- Laat je kind het eerst zelf proberen. Blijf in de buurt, maar kijk niet de hele tijd over de schouder mee.
- Geef een zetje, niet het antwoord. ‘Wat gebeurt er als je het met kleinere getallen probeert?’ of ‘Kun je er een getallenlijn bij tekenen?’ zijn goede zetjes.
- Kijk hoe de som onder elkaar staat. Veel fouten op papier komen doordat de cijfers scheef staan: eenheden horen onder eenheden, tientallen onder tientallen. Op ruitjespapier helpt één cijfer per hokje.
- Stop op tijd. Wordt het ruzie, stop dan voor vandaag en stuur de leerkracht een kort berichtje via de schoolapp of geef een briefje mee, bijvoorbeeld: ‘Noor vond som 4 moeilijk en we zijn na een kwartier gestopt.’ Daar heeft de juf of meester meer aan dan aan een som die jij hebt opgelost.
Een paar fouten in het huiswerk zijn niet erg: de leerkracht wil juist zien wat je kind zelf kan.
Als je de methode van school niet kent
Kinderen leren nu anders rekenen dan twintig of dertig jaar geleden, en veel ouders horen woorden als ‘rijgen’, ‘kolomsgewijs’ of ‘de hapmethode’ voor het eerst van hun eigen kind. Dat is heel normaal. En omdat elke school zelf een rekenmethode kiest, kan dezelfde som in de ene klas anders gaan dan in de andere:
- Rijgen of splitsen (uit het hoofd, vanaf groep 4). Bij 34 + 27 houdt je kind met rijgen het eerste getal heel en springt het verder: 34 + 20 = 54, en 54 + 7 = 61. Met splitsen haalt het beide getallen uit elkaar in tientallen en eenheden: 30 + 20 = 50, 4 + 7 = 11, en 50 + 11 = 61.
- Kolomsgewijs rekenen of cijferen (op papier, vanaf groep 5). Bij 456 + 378 begint je kind kolomsgewijs links en rekent het met hele waarden: 400 + 300 = 700, 50 + 70 = 120, 6 + 8 = 14, en samen is dat 834. Bij cijferen, de manier die de meeste ouders zelf kennen, begint het rechts, cijfer voor cijfer: ‘6 plus 8 is 14, 4 opschrijven, 1 onthouden.’ Ook dan komt er 834 uit.
- De hapmethode of de staartdeling (delen op papier, vanaf groep 6). Bij 875 : 7 neemt je kind met de hapmethode grote, handige happen: 100 keer 7 is 700, dan blijft er 175 over; 20 keer 7 is 140, dan blijft er 35 over; 5 keer 7 is 35. Samen 100 + 20 + 5 = 125 keer, dus 875 : 7 = 125. De staartdeling gaat cijfer voor cijfer en geeft hetzelfde antwoord; veel scholen leren eerst de hapmethode, of alleen die.
Alle manieren kloppen, maar de stappen zijn heel verschillend. Dit helpt:
- Vraag je kind het voor te doen. Het weet het best hoe het in de klas gaat.
- Kijk in het schrift of het werkboek. Daar zie je hoe de klas de sommen noteert.
- Vraag het aan de juf of meester, bij het oudergesprek of even na schooltijd. Vraag of de klas kolomsgewijs rekent of cijfert, en of ze delen met de hapmethode of met de staartdeling.
- Lees onze uitleg over hoe je kind nu leert rekenen, met de gangbare manieren en voorbeelden.
En de manier die jij zelf hebt geleerd? Als die het goede antwoord geeft, is er niets mis mee. Maar een tweede manier midden in het huiswerk brengt een kind dat de eerste nog leert snel in de war. Leer je kind ‘jouw’ manier dus niet aan zonder eerst met de leerkracht te overleggen, en bewaar ‘zo deed ik het vroeger’ als leuk weetje voor later, als je kind de eigen manier goed beheerst.
Rapport en toetsuitslagen: blijf rustig
Bij het rapport krijg je vanaf groep 3 vaak ook de uitslagen van de toetsen van het leerlingvolgsysteem, die veel ouders nog ‘de Cito-toetsen’ noemen. Daarvoor kun je niet zakken: ze laten zien hoe je kind zich over de jaren ontwikkelt. Kijk dus naar de lijn over meerdere toetsen, niet naar één uitslag: iedereen heeft weleens een slechte dag. Stampen voor zo’n toets heeft weinig zin; vragen over de uitslag bespreek je bij het oudergesprek. Wat de toetsen precies meten, lees je in de rekentoetsen uitgelegd.
Houd het positief
Kinderen pikken veel op van hoe volwassenen over rekenen praten. Zeg liever niet ‘ik kon vroeger ook niet rekenen’, ook niet als grapje. Je kind hoort dan: het is niet erg als ik het ook niet kan. Krijg je zelf ook stress van rekenen? In onze gids ‘Ik kan niet rekenen’ staan ook ideeën voor jou.
Zo blijft rekenen thuis iets leuks:
- Haal de spelletjes uit de kast. Bij ganzenbord en mens-erger-je-niet tel je vakjes, bij dobbelspellen tel je ogen op en bij eenendertigen reken je de punten van je kaarten uit. Dat is allemaal rekenen.
- Stop als het nog leuk is, dan heeft je kind de volgende keer weer zin.
- Laat je betrappen op een foutje. Zeg af en toe expres iets verkeerds (‘dus 5 + 5 is 11?’) en laat je kind je verbeteren.
- Benoem hardop het rekenen dat je tegenkomt: ‘Er zitten 10 stroopwafels in dit pak en we zijn met z’n vieren. Hoeveel krijgt ieder?’ (Ieder 2, en er blijven er 2 over.)
Snelle antwoorden
Voor de meeste kinderen op de basisschool is vijf tot tien minuten per dag ruim genoeg, naast eventueel huiswerk. Praten, spelletjes en rekenen in het dagelijks leven tellen ook mee; werkbladen zijn niet nodig.
Nee. Kies één ding om over te praten, het liefst door je kind te vragen hoe het heeft gerekend, zodat het de fout zelf vindt. Als je alles verbetert, durft je kind straks niets meer te proberen.
Als de klas met de tafels bezig is, helpt een paar minuten per dag zeker. Aan het eind van groep 4 kennen de meeste kinderen de tafels van 1 tot en met 5 en 10 uit het hoofd, aan het eind van groep 5 alle tafels tot en met 10. Ideeën vind je bij tafels oefenen.
Nodig is het niet; korte spelletjes en samen praten doen meestal meer. Wil je toch iets om te printen? Bij onze gratis werkbladen staan de antwoorden er altijd bij.
Praat eerst met de leerkracht. Die kan je vertellen wat je kind lastig vindt en wat je thuis kunt oefenen, en kan zo nodig de intern begeleider (de IB’er) laten meekijken. In onze uitleg per groep zie je wat kinderen in elke groep meestal leren.
Oefenen met Indie
Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.