Leren › Leerkrachten › Rekenstarts
Voor leerkrachten
25 korte rekenstarts
Een rekenstart (ook wel warming-up of opwarmer) is een korte activiteit aan het begin van de rekenles. De klas is meteen aan het rekenen, jij ziet snel wie nog twijfelt, en de basiskennis blijft onderhouden: de splitsingen, de tafels, verdubbelen en halveren. De beste duren 5 tot 10 minuten, vragen weinig voorbereiding en laten iedereen meedoen, niet alleen de drie kinderen die altijd hun vinger opsteken.
Kerndoel 27 uit 2006, waar de meeste rekenmethodes nog op gebaseerd zijn, vraagt onder meer dat ‘optellen en aftrekken tot 20 en de tafels van buiten gekend zijn’. Dat automatiseren lukt alleen met korte, regelmatige herhaling. In het IGDI-model past een rekenstart goed in de terugblik aan het begin van de les.
De rekenstarts hieronder zijn ingedeeld in drie blokken (groep 3 en 4, groep 5 en 6, groep 7 en 8), maar de meeste werken in elke groep: verander de getallen en ze groeien mee. Een paar van de eerste kun je ook in de kring met groep 1 en 2 doen, met kleinere hoeveelheden. Om iedereen tegelijk te laten antwoorden heb je genoeg aan wisbordjes, cijferkaartjes of tien vingers.
Rekenstarts voor groep 3 en 4
In groep 3 leren kinderen de splitsingen en de sommen tot en met 10 uit het hoofd en rekenen ze tot 20. In groep 4 moeten alle plus- en minsommen tot 20 vlot gaan, komt het rekenen tot 100 erbij en leren ze de tafels van 1, 2, 3, 4, 5 en 10.
- Flitsen. Laat een flitskaart een tel of twee zien; de klas zegt het antwoord in koor of schrijft het op een wisbordje. Voorbeeld: in groep 3 eerst een beeld van het rekenrek met 8 kralen (5 rode en 3 witte): wie ziet zonder tellen dat het er 8 zijn? Daarna sommen als 6 + 4 en 10 − 3. In groep 4: 7 + 8 (15), 13 − 5 (8) en 4 × 5 (20). Flits alleen sommen die de klas al begrijpt.
- Het getal van de dag. Schrijf één getal op het bord en vraag de klas alles te vertellen wat ze erover weten. Voorbeeld: 14 is 1 tiental en 4 eenheden, het is even, het is het dubbele van 7, het is 10 + 4 en 20 − 6, de buren zijn 13 en 15, en op het rekenrek is het een volle rij van 10 met 4 kralen op de onderste rij.
- Splitsen met het rekenrek. Schuif op de bovenste rij alle 10 kralen naar links en leg je hand over een deel ervan. ‘Ik zie er 6. Hoeveel zitten er onder mijn hand?’ (4.) Of met een splitshuisje: 9 in het dak, 4 in de ene kamer; wat hoort er in de andere? (5.) In groep 4 over het tiental: 8 kralen boven en 5 onder. Om de bovenste rij vol te maken heb je 2 van die 5 nodig, dan blijven er 3 over: 8 + 5 = 10 + 3 = 13.
- Pingpong met verliefde harten. Jij zegt een getal en de klas ‘slaat terug’ met het getal dat erbij hoort. Voorbeeld: samen 10 (de verliefde harten, zoals ze in veel klassen heten): jij zegt 3, de klas zegt 7. Samen 20: jij zegt 6, zij zeggen 14. In groep 4 samen 100 met tientallen: jij zegt 30, zij zeggen 70.
- Welk getal ontbreekt? Zet een som met een open plek op het bord. Voorbeeld: 8 + ☐ = 15 (het antwoord is 7) en ☐ − 4 = 9 (het antwoord is 13). Vraag daarna hoe ze het kunnen controleren: door terug te rekenen, 8 + 7 = 15 en 9 + 4 = 13.
- Tellen in de kring. De klas telt om de beurt door, vooruit of terug. Bij een klap draai je de richting om. Voorbeeld: in groep 3 met sprongen van 2 vanaf 0, of terug vanaf 20. In groep 4 met sprongen van 5, of met sprongen van 10 vanaf 7: 7, 17, 27, 37, 47. Schrijf ze ook op: omdat we zevenentwintig zeggen, schrijven kinderen nogal eens 72 als ze 27 bedoelen.
- Hoe laat is het? Zet de leerklok op een tijd en laat de klas hem aflezen. Voorbeeld: in groep 3 hele uren: ‘Het is 3 uur. Hoe laat is het over 2 uur?’ (5 uur.) In groep 4 halve uren en kwartieren: staat de grote wijzer op de 6 en de kleine tussen de 3 en de 4, dan is het half vier (op een digitale klok 15:30). ‘Het is half vier. Hoe laat is het over een kwartier?’ Kwart voor vier, of 15.45 uur. Vraag waarom het half vier heet en niet half drie: je bent al halverwege op weg naar vier uur.
- Honingraatpuzzel. Zet een honingraat van Beequation op het digibord. Eén getal is de som van twee andere: wie vindt het? Voorbeeld: 8, 3, 16, 9 en 7. Het antwoord is 16, want 9 + 7 = 16. Vraag hoe ze de andere getallen hebben uitgesloten.
Rekenstarts voor groep 5 en 6
In groep 5 gaan de getallen tot 1000 en moeten alle tafels tot en met 10 uit het hoofd gaan; in groep 6 gaan ze tot 100.000 en komen de deeltafels, kommagetallen en een breuk van een hoeveelheid erbij.
- Het getal van de dag, met vaste vragen. Hang een vast rijtje opdrachten op en verander elke dag alleen het getal. Voorbeeld: bij 48: het dubbele (96), de helft (24), plus 100 (148), afgerond op tientallen (50), gesplitst in tientallen en eenheden (40 + 8), in woorden (achtenveertig: eerst de 8, dan de 40) en een tafelsom met 48 als uitkomst (6 × 8). In groep 6 komt er een breuk bij: ¼ van 48 is 12.
- Tafeldictee. Noem tien tafelsommen in een vlot tempo; de klas schrijft alleen de antwoorden op. Iedereen noteert hoeveel er goed zijn en probeert dat volgende week te verbeteren, zonder ranglijst. Voorbeeld: de tafel van 7 door elkaar: 4 × 7 (28), 9 × 7 (63), 6 × 7 (42), 8 × 7 (56). In groep 6 meng je er deeltafels door: 42 : 7 (6) en 63 : 7 (9).
- Hoeveel ongeveer? Laat een pot met blokjes of een foto van de fietsenstalling zien. Iedereen schrijft een schatting op; na één aanwijzing mag die nog veranderen. Voorbeeld: in dit bakje passen 10 blokjes en de pot is ongeveer 6 bakjes vol, dus er zitten zo’n 60 blokjes in. In groep 6: de fietsenstalling heeft 8 rijen van ongeveer 25 fietsen, dus er staan ongeveer 200 fietsen.
- Altijd, soms of nooit? Lees een bewering voor. De klas beslist en onderbouwt dat met voorbeelden. Voorbeeld: ‘Een uitkomst uit de tafel van 4 is even’ (altijd). ‘Een uitkomst uit de tafel van 3 is oneven’ (soms: 9 wel, 12 niet). ‘Als je 10 bij een getal optelt, verandert het cijfer van de eenheden’ (nooit: 36 + 10 = 46).
- Sommenfamilie. Geef drie getallen en vraag de vier sommen die erbij horen. Voorbeeld: 7, 8 en 56 geven 7 × 8 = 56, 8 × 7 = 56, 56 : 7 = 8 en 56 : 8 = 7.
- Wat weet je nog meer? Geef één som en vraag wat je er nog meer mee kunt uitrekenen. Voorbeeld: uit 3 × 8 = 24 volgen 30 × 8 = 240, 3 × 80 = 240, 24 : 8 = 3, 240 : 8 = 30, met verdubbelen 6 × 8 = 48, en met de verdeelstrategie 13 × 8 = 10 × 8 + 3 × 8 = 80 + 24 = 104.
- Vul de verhoudingstabel aan. Zet een verhoudingstabel op het bord met een paar lege vakjes. Voorbeeld: voor 8 pannenkoeken heb je 250 gram meel nodig. Hoeveel voor 4 pannenkoeken, en hoeveel voor 12? Voor 4 neem je de helft: 125 gram. Voor 12 tel je 8 en 4 bij elkaar op, dus 250 + 125 = 375 gram. Voor 16 verdubbel je: 500 gram.
- Hoe laat is het straks? Geef een tijd en een tijdsduur. Voorbeeld: ‘Het is kwart voor elf. Hoe laat is het over 25 minuten?’ Met 15 minuten ben je bij elf uur, met nog 10 minuten erbij is het tien over elf, of 11.10 uur. Met de 24-uursklok: de bus van het schoolreisje vertrekt om 16.50 uur en rijdt 35 minuten. Met 10 minuten is het 17.00 uur, met nog 25 minuten 17.25 uur: vijf voor half zes.
- Verstopte cijfers. Laat een som zien waarin cijfers zijn weggelaten. Voorbeeld: 5☐ + ☐6 = 83. De eenheden moeten samen 13 zijn (7 + 6), dus het eerste getal is 57. Met de 1 die je onthoudt heb je 5 + 1 = 6 tientallen, en je hebt er 8 nodig: het tweede getal is 26. Controle: 57 + 26 = 83.
Rekenstarts voor groep 7 en 8
In groep 7 en groep 8 draait het om kommagetallen tot drie cijfers achter de komma, breuken en procenten, grote getallen, temperaturen onder nul, de rekenmachine en het kiezen van een handige aanpak. Laat vooral uitleggen, niet alleen uitrekenen.
- Kommagetallen op de getallenlijn. Teken een getallenlijn van 4 tot 5 met streepjes voor de tienden en vraag: ‘Wat is groter, 4,3 of 4,25?’ Veel kinderen kiezen 4,25, ‘want 25 is meer dan 3’. Op de lijn zie je dat 4,25 precies tussen 4,2 en 4,3 ligt, dus links van 4,3: 4,3 is groter. Laat daarna 4,05 en 4,5 aanwijzen.
- Wie hoort er niet bij? Elk getal kan het buitenbeentje zijn, om een andere reden. Voorbeeld: 9, 16, 25 en 43. 9 is het enige getal van één cijfer, 16 het enige even getal, 25 het enige getal dat deelbaar is door 5, en 43 het enige dat geen uitkomst is van een getal keer zichzelf (9 = 3 × 3, 16 = 4 × 4, 25 = 5 × 5).
- Waar of niet waar? Eén bewering, duim omhoog of omlaag, en dan legt iemand uit waarom. Voorbeeld: ‘0,3 × 10 = 0,30’ is niet waar: het is 3, want elk cijfer wordt tien keer zo veel waard en schuift één plaats naar links. ‘⅗ is meer dan ½’ is waar: ⅗ = 0,6 en ½ = 0,5. ‘25% van € 80 is € 25’ is niet waar: 25% is een kwart, dus € 20.
- Zeg het anders. Geef een breuk, een kommagetal of een percentage en vraag de andere twee. Een procentenstrook op het bord helpt. Voorbeeld: ⅖ = 0,4 = 40% en ¾ = 0,75 = 75%. Voor groep 8: ⅜ = 0,375 = 37,5%.
- In evenwicht. Links en rechts van het isgelijkteken moet evenveel staan. Voorbeeld: 36 + 27 = ☐ + 30. 30 is 3 meer dan 27, dus op de open plek hoort 3 minder dan 36: 33. Controle: aan beide kanten staat 63.
- Eerst schatten. Laat iedereen een globaal antwoord opschrijven voordat de som wordt uitgerekend. Voorbeeld: 398 × 5 is ongeveer 400 × 5 = 2000. Precies is het 2000 − 10 = 1990: door 398 af te ronden naar 400 heb je vijf keer 2 te veel genomen. Ook handig bij de rekenmachine: 19,8 × 4,9 is ongeveer 20 × 5 = 100, dus 97,02 op het schermpje klopt, en wie 970,2 ziet staan, heeft de komma op de verkeerde plek gezet.
- Onder nul. Sommen met temperaturen die door het nulpunt gaan. Voorbeeld: ‘Op een winterochtend is het om 7.00 uur −3 °C. Om 13.00 uur is het 5 °C. Hoeveel graden is het warmer geworden?’ 3 graden tot 0 °C en dan nog 5: 8 graden.
- Honingraat met kommagetallen. Een puzzel van Beequation met tienden. Voorbeeld: 0,6; 1,5; 0,9; 2,3 en 0,4. Het antwoord is 1,5, want 0,6 + 0,9 = 1,5. Pas op voor 2,3: 1,5 + 0,9 is 2,4, niet 2,3.
Houd dezelfde rekenstart een week vol voordat je wisselt. De eerste dag leert de klas hoe het werkt, de rest van de week denken ze na over het rekenen zelf. Verander liever de getallen dan de activiteit: dat scheelt je ook voorbereiding.
Zo werkt een rekenstart het best
- Iedereen antwoordt. Wisbordjes, vingers of ‘laat op drie zien’ voorkomen dat steeds dezelfde vingers omhooggaan, en je ziet meteen wie hulp nodig heeft.
- Vraag ‘Hoe weet je dat?’ Twee leerlingen die bij ‘In evenwicht’ allebei op 33 uitkomen, kunnen heel verschillend hebben gedacht: de een haalt 3 van 36 af, de ander rekent 36 + 27 = 63 en dan 63 − 30.
- Haal oude stof terug. Een rekenstart over het blok van vorige maand houdt die kennis vers en is vaak nuttiger dan vooruitlopen op vandaag.
- Houd het kort. Zet een timer. Duikt er een misverstand op dat uitleg verdient, schrijf het dan op en kom erop terug in de instructie of de verlengde instructie.
Wil je de basis grondig oefenen, lees dan onze pagina’s over splitsen en sommen tot 20 en tafels oefenen, of het onderwerp hoofdrekenen per groep. Voor honingraatpuzzels om te printen of op het bord te zetten download je het gratis puzzelpakket voor je klas. Het pakket is voorlopig in het Engels, maar de puzzels zelf bestaan alleen uit getallen. Je kunt ook het spel in de browser op het digibord openen.
Snelle antwoorden
5 tot 10 minuten is genoeg: lang genoeg om te zien wie nog twijfelt, kort genoeg om tijd over te houden voor de rest van de les.
Dat mag, maar het hoeft niet. Veel leerkrachten gebruiken de rekenstart om de splitsingen, de tafels en eerdere blokken bij te houden, en beginnen de nieuwe stof daarna met een aparte korte opdracht.
Ja. Kies open activiteiten zoals het getal van de dag of ‘Wie hoort er niet bij?’, waarbij elke leerling iets kan zeggen en snelle rekenaars verder kunnen gaan. Meer ideeën vind je bij differentiëren bij rekenen.
Ja. Ze gaan over basiskennis die elke methode nodig heeft. Gebruik wel de woorden die je klas kent, zoals rijgen, splitsen of via het tiental.
Niet als de volgorde klopt. Eerst begrijpen kinderen een som, met het rekenrek, de getallenlijn of blokjes; daarna zorgt flitsen ervoor dat ze het antwoord vlot weten. Vraag af en toe ‘Hoe weet je dat?’, zodat het begrip blijft.
Oefenen met Indie
Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.