Leren › Onderwerpen › Klokkijken
Uitleg per onderwerp
Klokkijken
Klokkijken is een klok aflezen en zeggen hoe laat het is, in woorden (‘kwart over drie’) en in cijfers (3.15 uur, of 15.15 uur als het ’s middags is). Er hoort meer bij: uitrekenen hoe lang iets duurt, een kalender gebruiken en weten hoe seconden, minuten, uren, dagen, weken, maanden en jaren in elkaar passen.
Het is een van de lastigste dingen die kinderen op de basisschool leren. Op een klok met wijzers hebben dezelfde getallen twee taken, tijd telt in zestigen in plaats van in tientallen, en het Nederlands heeft er nog een eigen puzzel bij: half vier is niet vier uur dertig, maar drie uur dertig. Reken erop dat het een paar jaar duurt, met veel oefenen op een echte klok.
Wat kinderen per groep leren
De tabel volgt de tussendoelen van SLO, het landelijke expertisecentrum voor het curriculum, en de manier waarop de meeste rekenmethodes het verdelen. Het precieze moment verschilt per school en per rekenmethode, dus je kind kan iets eerder of later aan de beurt zijn.
| Groep | Wat ze leren |
|---|---|
| Groep 1 en 2 | Tijd zit nog in het dagritme: eerst in de kring, dan fruit eten, dan buiten spelen. Kleuters leren woorden als dag en nacht, vandaag en morgen, straks, eerder en later, en zetten gebeurtenissen op volgorde. |
| Groep 3 | De dagen van de week op volgorde. Hele uren aflezen op een klok met wijzers en op een digitale klok (‘3 uur’, 18.00 uur), en uren koppelen aan de dag: om 7 uur sta je op, om 6 uur eet je warm. |
| Groep 4 | Halve uren en kwartieren op beide klokken, en die twee aan elkaar koppelen: kwart over 3 is 3.15 of 15.15 uur. Rekenen met hele en halve uren. De woorden uur, half uur, kwartier, dag, week, maand en seizoen; de 12 maanden en 4 seizoenen; een kalender lezen. |
| Groep 5 | Klokkijken op de minuut, analoog en digitaal. Een etmaal heeft 24 uur, een uur 60 minuten, een kwartier 15 minuten en een minuut 60 seconden. Tijdsduur uitrekenen: begint de film om 15.15 uur en is hij om 17.00 uur afgelopen, dan duurt hij 1 uur en 45 minuten. |
| Groep 6 | Uren, minuten en seconden in elkaar omrekenen, een stopwatch gebruiken, en de woorden kwartaal, schrikkeljaar, decennium en eeuw. Gebeurtenissen op een tijdlijn zetten. |
| Groep 7 | Tijdsduur in uren, minuten en seconden, en honderdsten van seconden bij sport, zoals schaatsen of een zwemwedstrijd. Datums noteren als 05-12-2026 (dag, maand, jaar) en uitrekenen hoeveel dagen er tussen twee datums zitten. |
| Groep 8 | Tijdzones: is het ’s winters in Nederland 12.00 uur, dan is het op Bonaire 7.00 uur. Zomertijd en wintertijd. Tijdseenheden omrekenen, tot een eeuw in seconden aan toe. |
De belangrijkste ideeën
1. Twee wijzers, elk met een eigen taak
De korte wijzer is de kleine wijzer: die wijst de uren aan. De lange wijzer is de grote wijzer: die wijst de minuten aan. Kinderen beginnen met de hele uren: staat de grote wijzer recht omhoog op de 12, dan vertelt de kleine wijzer hoe laat het is. Daarna komt half: de grote wijzer staat recht omlaag op de 6, en de kleine wijzer staat halverwege tussen twee getallen.
Juist dat halverwege is in het Nederlands de sleutel. Om 3.30 uur is de kleine wijzer al halverwege op weg naar de 4. Daarom zeggen we half vier: het woord ‘half’ kijkt vooruit naar het volgende uur. Laat je kind dus goed naar de kleine wijzer kijken. Die schuift de hele tijd langzaam door en staat alleen bij een heel uur precies op een getal.
2. Elk getal op de klok is 5 minuten
De getallen op de klok zijn eigenlijk de uren. Voor de minuten tellen kinderen in sprongen van 5 rond de klok: bij de 1 zijn het 5 minuten, bij de 2 zijn het 10, bij de 3 zijn het 15, en zo verder tot 60 bij de 12. Daarom is de tafel van 5 zo’n goede voorbereiding. Een kwartier is een kwart van de klok: 15 minuten.
3. De klok in vier stukken: over, voor half, over half, voor
Veel juffen en meesters verdelen de klok in vier stukken. Staat de grote wijzer tussen de 12 en de 3, dan zeg je over het uur dat net geweest is: tien over drie. Tussen de 3 en de 6 tel je naar het halve uur toe: voor half. Om 3.20 uur is het nog tien minuten tot half vier, dus tien voor half vier. Tussen de 6 en de 9 tel je vanaf het halve uur: over half, zoals tien over half vier (3.40 uur). En tussen de 9 en de 12 tel je af naar het volgende hele uur: voor, zoals tien voor vier (3.50 uur).
In de praktijk hoor je ook wel ‘twintig over drie’, maar op school leren kinderen meestal de vier stukken. Kan je kind de kleine streepjes lezen, dan is klokkijken op de minuut aan de beurt: 3.22 uur is acht minuten voor half vier, 3.38 uur is acht minuten over half vier en 3.52 uur is acht minuten voor vier.
Struikelt je kind over ‘half’, zeg dan een tijdje ‘half op weg naar vier’ in plaats van ‘half vier’, en wijs erbij naar de kleine wijzer, die halverwege tussen de 3 en de 4 staat. Na een paar weken kun je ‘op weg naar’ weer weglaten.
4. Analoog en digitaal: twee manieren om dezelfde tijd te zeggen
Een analoge klok heeft wijzers. Een digitale klok laat cijfers zien: eerst het uur, dan na de dubbele punt de minuten. Een digitale klok telt altijd de minuten die voorbij zijn, nooit de minuten tot half of tot het volgende uur. Daarom schrijf je half vier als 3.30, niet als 4.30, en tien voor half vier als 3.20. Vraag je kind om allebei te zeggen: ‘3.20, dat is tien voor half vier.’
5. ’s Ochtends, ’s middags en de 24-uursklok
De kleine wijzer gaat twee keer per dag rond, dus zeven uur kan ontbijt zijn of bedtijd. In gesprekken lossen we dat op met ’s ochtends, ’s middags, ’s avonds en ’s nachts.
Op papier gebruiken we in Nederland vooral de 24-uursklok: in de dienstregeling van de trein, in de tv-gids en in de brief van school (‘de ouderavond begint om 19.30 uur’). Die klok telt na 12 uur door. Vanaf één uur ’s middags tel je er 12 bij op: kwart over zeven ’s avonds is 19.15 uur, half vier ’s middags is 15.30 uur. Andersom haal je er 12 af: 16.45 uur is kwart voor vijf ’s middags. 12.00 uur is twaalf uur ’s middags en 0.00 uur is middernacht. In een tekst schrijven we een punt en ‘uur’ (7.05 uur); een digitale wekker of de oven laat vaak 07:05 zien.
Lees je een 24-uurstijd hardop, dan zeg je geen ‘kwart over’ of ‘half’: 16.45 uur is ‘zestien uur vijfenveertig’. Kinderen moeten allebei de manieren horen en weten dat ze dezelfde tijd betekenen.
Hang een klok met wijzers op waar je kind hem elke dag ziet, en praat er hardop over: ‘Het is tien voor half vijf. Om half vijf gaan we naar zwemles. Hoeveel minuten is dat nog?’ Elke dag een paar keer even samen op de klok kijken helpt meer dan één keer per week een lang oefenblad.
6. Tijd telt niet in tientallen
Een uur heeft 60 minuten, geen 100. Je kunt dus niet uitrekenen hoe lang iets duurt door de tijden van elkaar af te trekken zoals gewone getallen. Wat wel werkt, is in sprongen verder tellen: eerst naar het volgende hele uur, dan de hele uren en tot slot de minuten die over zijn. Een film begint om 17.45 uur en is om 19.20 uur afgelopen:
- Van 17.45 tot 18.00 uur is 15 minuten.
- Van 18.00 tot 19.00 uur is 1 uur.
- Van 19.00 tot 19.20 uur is 20 minuten.
Samen 1 uur en 35 minuten. De sprongen tekenen op een tijdlijn, zoals hierboven, helpt enorm. Die lijn kennen kinderen al: het is net als de lege getallenlijn bij optellen en aftrekken. Oefen het ook met de schooldag: begint de school om 8.30 uur en is de kleine pauze om 10.15 uur, hoe lang zit je dan al in de klas? (30 minuten tot 9.00 uur, 1 uur tot 10.00 uur en nog 15 minuten: 1 uur en 45 minuten.)
7. De kalender en de tijdseenheden
Deze omrekeningen leren kinderen in de loop van de basisschool uit hun hoofd:
| Eenheid | Is gelijk aan |
|---|---|
| 1 minuut | 60 seconden |
| 1 kwartier | 15 minuten |
| 1 uur | 60 minuten (3600 seconden) |
| 1 etmaal | 24 uur (een dag en een nacht) |
| 1 week | 7 dagen |
| 1 kwartaal | 3 maanden |
| 1 jaar | 12 maanden, 52 weken en 1 dag, of 365 dagen (366 in een schrikkeljaar) |
| 1 decennium / 1 eeuw | 10 jaar / 100 jaar |
Op een Nederlandse kalender begint de week op maandag, en een datum schrijf je als dag, maand, jaar: 11 oktober 2026, of 11-10-2026. Een schrikkeljaar komt eens in de vier jaar: dan heeft februari 29 dagen in plaats van 28. Het volgende schrikkeljaar is 2028. Voor de andere maanden is er het knokkeltrucje: maak twee vuisten naast elkaar en tel de maanden langs je knokkels en de kuiltjes ertussen, met januari op de eerste knokkel. Juli valt op de laatste knokkel van de ene hand, augustus op de eerste knokkel van de andere. De maanden op een knokkel (januari, maart, mei, juli, augustus, oktober, december) hebben 31 dagen. De kuiltjes hebben er 30, behalve februari.
Omrekenen is keer- of deelsommen maken: 3 uur is 3 × 60 = 180 minuten, 3 weken is 21 dagen, 2 jaar is 24 maanden, en 2 uur en 15 minuten is 2 × 60 + 15 = 135 minuten. Andersom: 150 seconden is 2 minuten en 30 seconden, want 150 : 60 = 2 rest 30. In groep 8 komen de zomertijd en de wintertijd erbij: in de nacht van zaterdag op zondag in het laatste weekend van maart gaat de klok een uur vooruit, in het laatste weekend van oktober een uur terug.
Fouten die vaak voorkomen
- De wijzers verwisselen: de grote wijzer lezen alsof hij de uren aanwijst.
- Half vier lezen als 4.30: de klassieke Nederlandse valkuil. ‘Half’ kijkt vooruit, dus half vier is 3.30 uur.
- Het verkeerde uur noemen: om 2.50 uur staat de kleine wijzer bijna op de 3, en veel kinderen zeggen dan ‘tien voor twee’ in plaats van tien voor drie. Om 3.30 uur zeggen ze ‘half drie’ omdat de kleine wijzer al voorbij de 3 staat. Een goede vraag: naar welk getal is de kleine wijzer op weg?
- Voor half en over half door elkaar halen: tien voor half vier opschrijven als 3.40 in plaats van 3.20. Laat je kind eerst aanwijzen waar half vier op de klok is en dan bedenken of het ervoor of erna is.
- Tijd behandelen als een gewoon getal: 13.50 uur plus 20 minuten is 14.10 uur, niet 13.70 uur. En 1,5 uur is 1 uur en 30 minuten, niet 1 uur en 50 minuten. Handig: een kloktijd schrijven we met een punt (13.50 uur), een kommagetal met een komma (1,5 uur).
- Bij de 24-uursklok 10 aftrekken: denken dat 15.00 uur vijf uur is. Het is drie uur ’s middags, want je haalt er 12 af.
Spelletjes van vijf minuten voor thuis
- Zeg het op twee manieren. Jij noemt een digitale tijd, je kind zegt hem in woorden: ‘16.40!’ ‘Tien over half vijf.’ Wissel ook eens van rol, zodat je kind jou overhoort.
- Raad de minuut. Doe allemaal je ogen dicht en steek je hand op zodra je denkt dat er een minuut voorbij is. Wie zat het dichtst bij? Probeer daarna 30 seconden.
- Aftellen op de kalender. Hoeveel nachtjes slapen nog tot je verjaardag, tot pakjesavond op 5 december of tot de zomervakantie? Hoeveel weken is dat?
- Speuren in de dienstregeling. Zoek samen een treinreis op in de reisplanner of kijk in de tv-gids. ‘Als de trein om 16.35 uur vertrekt en om 19.05 uur aankomt, hoe lang duurt de reis dan?’ (2 uur en 30 minuten.)
De uitdaging van IndieIndie begint om tien over half elf ’s ochtends met nectar verzamelen en stopt om kwart over één ’s middags. Hoe lang is ze bezig geweest? Bekijk het antwoord
Tien over half elf is 10.40 uur en kwart over één ’s middags is 13.15 uur. Tel in sprongen verder. Van 10.40 tot 11.00 uur is 20 minuten. Van 11.00 tot 13.00 uur is 2 uur. Van 13.00 tot 13.15 uur is 15 minuten. Samen 2 uur en 20 + 15 = 35 minuten: 2 uur en 35 minuten.
Gratis werkbladen klokkijken
Print ze om thuis of in de klas te oefenen. Op de tweede pagina van elk werkblad staan de antwoorden.
Hele en halve urenGroep 3, Groep 4 · KlokkijkenDownload pdf
Kwart over en kwart voorGroep 4 · KlokkijkenDownload pdf
Klokkijken per 5 minutenGroep 5 · In woorden en in cijfersDownload pdfSnelle antwoorden
In de meeste rekenmethodes leren kinderen de hele uren in groep 3 (6 tot 7 jaar), halve uren en kwartieren in groep 4, en klokkijken op de minuut in groep 5 (8 tot 9 jaar). Veel kinderen hebben er langer voor nodig, en dat is normaal: wat helpt is vaak oefenen met een echte klok.
Omdat ‘half’ in het Nederlands vooruitkijkt naar het volgende uur: om half vier ben je halverwege op weg naar vier uur. Dat zie je ook op de klok, want de kleine wijzer staat dan precies tussen de 3 en de 4. Daarom zijn tien voor half vier (3.20 uur) en tien over half vier (3.40 uur) ook rond dat halve uur gebouwd.
Allebei zijn nuttig, maar een horloge of klok met wijzers laat je kind het lastigste deel oefenen. Aan de wijzers zie je bovendien in één oogopslag hoeveel tijd er nog over is, en dat laat een digitale klok niet zien.
Is het uur groter dan 12, haal er dan 12 af en zeg erbij ’s middags of ’s avonds: 18.30 uur is half zeven ’s avonds en 13.00 uur is één uur ’s middags. 12.45 uur is kwart voor één ’s middags. Na middernacht zeg je ’s nachts: 0.10 uur is tien over twaalf ’s nachts. In de ochtend verandert er niets: 8.15 uur is kwart over acht ’s ochtends.
Oefenen met Indie
Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.