Leren › Onderwerpen › Optellen en aftrekken

Uitleg per onderwerp

Optellen en aftrekken

Elke cel van mijn honingraat heeft 6 kanten, en 6 + 4 = 10. Twee getallen zoeken die samen 10 maken is mijn favoriete trucje bij het optellen!

Optellen is hoeveelheden samenvoegen. Aftrekken is er iets afhalen, of kijken hoeveel twee hoeveelheden van elkaar verschillen. Die twee horen bij elkaar: als 7 + 5 = 12, dan is 12 − 5 = 7. Kinderen leren ze daarom samen: eerst met echte voorwerpen en hun vingers, dan met het rekenrek en de getallenlijn, daarna uit het hoofd en pas later op papier.

In de klas hoort je kind woorden als plussommen en minsommen, ‘erbij’ en ‘eraf’. De uitkomst van een plussom heet de som of het totaal, de uitkomst van een minsom het verschil. In 12 − 5 = 7 is 7 het verschil tussen 12 en 5.

Wat kinderen per groep leren

De kerndoelen leggen vast wat elke basisschool moet aanbieden. SLO, het landelijke expertisecentrum voor het curriculum, heeft dat uitgewerkt in tussendoelen per groep; deze tabel volgt die tussendoelen. Het precieze moment verschilt per school en per rekenmethode, dus je kind kan iets best een paar maanden eerder of later tegenkomen.

GroepWat ze leren
Groep 1 en 2Spelenderwijs erbij doen en weghalen met echte dingen, zoals blokjes of vingers, met hoeveelheden tot zo’n 12. Meer, minder, evenveel. Kleine hoeveelheden tot 6 in één keer zien, zoals de stippen op een dobbelsteen. Nog geen sommen op papier.
Groep 3De tekens +, − en =. De splitsingen tot en met 10 uit het hoofd: 10 is 7 en 3, of 6 en 4. Plus- en minsommen tot 20 met handige strategieën: verwisselen (3 + 6 = 6 + 3), bijna dubbel (7 + 8 = 7 + 7 + 1) en via de 10 (6 + 8 = 6 + 4 + 4). Vaak met het rekenrek.
Groep 4Alle plus- en minsommen tot en met 20 uit het hoofd. Optellen en aftrekken tot 100 met rijgen en splitsen, via het tiental (37 + 8 = 37 + 3 + 5), compenseren (67 − 19 = 67 − 20 + 1) en aanvullen (50 − 48: doortellen van 48 naar 50). Eerst schatten: ongeveer hoeveel wordt het?
Groep 5Getallen tot 1000. Uit het hoofd met ronde getallen: 350 + 200 = 550, net als 35 + 20 = 55. Op papier onder elkaar, met kolomsgewijs rekenen en cijferen. Schatten om het antwoord te controleren, en bedragen op een kassabon optellen.
Groep 6Optellen en aftrekken onder de 10.000, uit het hoofd en op papier. Rekenen met geld, zoals € 12,50 + € 7,75 = € 20,25.
Groep 7Grotere getallen, onder de 100.000. Kommagetallen optellen en aftrekken: uit het hoofd (1 − 0,25 = 0,75) en op papier, met de komma’s recht onder elkaar. Gelijknamige breuken optellen en aftrekken, zoals ⅜ + ⁴⁄₈ = ⅞. De rekenmachine, met schatten als controle.
Groep 8Bij elke som een handige aanpak kiezen en uitleggen waarom. De volgorde van bewerkingen, ook met haakjes: 4 + 5 × 6 = 34. Ongelijknamige breuken optellen door ze gelijknamig te maken: ½ + ⅓ = ³⁄₆ + ²⁄₆ = ⅚. Rekenen met temperaturen onder nul (−5 + 6 = 1). In januari of februari maakt je kind de doorstroomtoets, die ook rekenen toetst.

De belangrijkste ideeën

1. Splitsen is de basis

Een getal kun je op verschillende manieren splitsen: 7 is 5 en 2, maar ook 4 en 3, of 6 en 1. In groep 3 leren kinderen de splitsingen tot en met 10 uit het hoofd, vaak met splitshuisjes: in het dak staat het getal, en op elke verdieping daaronder een manier om het te splitsen. De splitsingen van 10 krijgen extra aandacht. Op veel scholen heten twee getallen die samen 10 maken verliefde harten: 1 en 9, 2 en 8, 3 en 7, 4 en 6, 5 en 5 (en 0 en 10).

Elke splitsing levert vier sommen op: uit ‘10 is 7 en 3’ volgen 7 + 3 = 10, 3 + 7 = 10, 10 − 3 = 7 en 10 − 7 = 3. Wie de splitsingen vlot kent, kan ze overal gebruiken: als 6 + 4 = 10, dan is 16 + 4 = 20 en 60 + 40 = 100. De dubbelen (6 + 6 = 12, 7 + 7 = 14) zijn het tweede houvast. Ideeën om te oefenen vind je in onze gids over splitsen en sommen tot 20.

2. Optellen en aftrekken horen bij elkaar

Aftrekken is het omgekeerde van optellen. Daarom kun je een minsom controleren met een plussom; op school heet dat terugrekenen. Als 62 − 38 = 24, dan moet 24 + 38 weer 62 zijn, en dat klopt. Bij optellen maakt de volgorde niet uit: kinderen mogen de getallen verwisselen (3 + 9 = 9 + 3) en dan vanaf het grootste getal verder tellen. Bij aftrekken mag dat niet: 9 − 3 is iets heel anders dan 3 − 9.

3. Over het tiental: eerst naar de 10

Een grote stap in groep 3 en 4: sommen waarbij je over de 10 heen gaat, zoals 8 + 5 of 13 − 5. Kinderen leren de 10 als tussenstop te gebruiken. Bij 8 + 5 heb je er nog 2 nodig om bij 10 te komen, dus splits je de 5 in 2 en 3: 8 + 2 = 10, en 10 + 3 = 13. Aftrekken gaat net zo: 13 − 5 = 13 − 3 − 2 = 8. De juf of meester noemt dit via het tiental of ‘over het tiental’.

Het rekenrek helpt daarbij. Het heeft twee rijen van tien kralen, in elke rij vijf rode en vijf witte. Door die vijfstructuur zie je hoeveelheden in één oogopslag, zonder te tellen.

85
8 + 5 op het rekenrek: de vijf rode kralen boven en de vijf rode kralen onder zijn samen 10, met de 3 witte kralen erbij is het 13.

Andere handige wegen zijn bijna dubbel (7 + 8 is 7 + 7 en nog 1, dus 15) en een som gebruiken die je al kent: als 7 − 5 = 2, dan is 17 − 5 = 12. Het doel is dat kinderen aan het eind van groep 4 alle plus- en minsommen tot en met 20 uit het hoofd kennen. Dat heet automatiseren: een som is zo vaak geoefend dat het antwoord er meteen is.

4. Tot 100: rijgen en splitsen

In groep 4 gaan de sommen tot 100. Twee manieren krijgen de meeste aandacht, en je kind leert ze allebei:

374464 −20−7
64 − 27 met rijgen: vanaf 64 eerst 20 terug naar 44, dan 7 terug naar 37. Dus 64 − 27 = 37.

Splitsen werkt goed bij plussommen, maar bij minsommen gaat het vaak mis (zie de fouten hieronder); daarom leren veel kinderen aftrekken vooral met rijgen. Voor getallen die bijna rond zijn of dicht bij elkaar liggen, zijn er nog twee handige wegen. Bij compenseren reken je eerst met een rond getal en verbeter je het daarna: 67 − 19 = 67 − 20 + 1 = 48. Bij aanvullen (ook ‘verschil bepalen’) tel je door van het kleinste naar het grootste getal: bij 50 − 48 zijn dat 2 stappen, bij 1003 − 996 zijn het er 7. Meer vind je bij strategieën voor hoofdrekenen en in de gids over hoofdrekenen.

5. Optellen op papier: kolomsgewijs rekenen en cijferen

Vanaf groep 5 rekenen kinderen ook onder elkaar: eenheden onder eenheden, tientallen onder tientallen, honderdtallen onder honderdtallen. Daarvoor zijn twee manieren. Welke je kind leert, hangt af van de rekenmethode van de school; vaak komt kolomsgewijs rekenen eerst en cijferen daarna.

11 KolomsgewijsCijferen 456 378+ 700 120 14 + 834 456 378+ 834 (400 + 300)(50 + 70)(6 + 8)
456 + 378 = 834, links kolomsgewijs, rechts cijferend. De kleine 1 boven de tientallen is een onthouden tiental, de kleine 1 boven de honderdtallen een onthouden honderdtal.

Hardop klinkt cijferen zo: ‘6 plus 8 is 14, 4 opschrijven, 1 onthouden. 5 plus 7 is 12, plus 1 is 13, 3 opschrijven, 1 onthouden. 4 plus 3 is 7, plus 1 is 8.’ Het plusteken staat in Nederland meestal rechts naast het onderste getal.

6. Aftrekken op papier

Ook aftrekken kan kolomsgewijs of cijferend. Bij kolomsgewijs aftrekken reken je weer van links naar rechts: 800 − 500 = 300, 30 − 40 = −10 (je komt 10 tekort) en 4 − 8 = −4 (je komt 4 tekort). Dan 300 − 10 − 4 = 286. Sommige methodes schrijven geen negatieve getallen op, maar noteren het tekort op een andere manier; vraag je kind om het je te laten zien.

Bij cijferend aftrekken begin je rechts. Kun je in een kolom niet aftrekken, dan ‘leen’ je uit de kolom ernaast. Nieuwere methodes noemen dat inwisselen, omdat je een tiental inruilt voor tien eenheden. ‘4 min 8 kan niet: ik leen 1 tiental, 14 min 8 is 6. 2 min 4 kan niet: ik leen 1 honderdtal, 12 min 4 is 8. 7 min 5 is 2.’

KolomsgewijsCijferen 834 548− 300 −10 −4 286 834 548− 286 7212 1 (800 − 500)(30 − 40)(4 − 8)
834 − 548 = 286, links kolomsgewijs, rechts cijferend met lenen: de 3 tientallen worden er eerst 2 en de 4 eenheden worden 14; daarna worden de 8 honderdtallen er 7 en de 2 tientallen 12. Terugrekenen: 286 + 548 = 834.

Welke manier is beter? De manier die de klas van je kind gebruikt: wie twee manieren door elkaar haalt, maakt sneller fouten. Vraag dus aan de juf of meester hoe ze het in de klas doen, voordat je thuis uitlegt hoe jij het vroeger leerde.

De tip van Indie

Laat je kind vóór elke som eerst schatten: ongeveer hoeveel wordt het? Bij 456 + 378 is dat ongeveer 460 + 380 = 840. Dan klopt 834 wel, en is 724 duidelijk te weinig. Laat je kind ook voordoen hoe het in de klas gaat: waar het onthoudcijfertje staat en of ze lenen of inwisselen.

Veelgemaakte fouten

Spelletjes van vijf minuten voor thuis

De uitdaging van IndieIndie bezocht ’s ochtends 367 bloemen en ’s middags 258. Hoeveel bloemen bezocht ze die dag in totaal? En hoeveel bloemen bezocht ze ’s ochtends meer dan ’s middags? Bekijk het antwoord

In totaal: 367 + 258 = 625. Cijferend: ‘7 plus 8 is 15, 5 opschrijven, 1 onthouden. 6 plus 5 is 11, plus 1 is 12, 2 opschrijven, 1 onthouden. 3 plus 2 is 5, plus 1 is 6.’ Hoeveel meer: 367 − 258 = 109. Met rijgen: 367 − 200 = 167, 167 − 50 = 117 en 117 − 8 = 109. Terugrekenen: 109 + 258 = 367.

Gratis werkbladen optellen en aftrekken

Print ze om thuis of in de klas te oefenen. Op de tweede bladzijde van elk werkblad staan de antwoorden.

Voorbeeld van het werkblad ‘Splitsen van 10’Splitsen van 10Groep 1 en 2, Groep 3 · Welke twee getallen maken samen 10?Download pdf
Voorbeeld van het werkblad ‘Samen 20’Samen 20Groep 3, Groep 4 · Welke twee getallen maken samen 20?Download pdf
Voorbeeld van het werkblad ‘Plus en min tot 20’Plus en min tot 20Groep 3, Groep 4 · Plus- en minsommen door elkaarDownload pdf
Voorbeeld van het werkblad ‘Optellen onder elkaar’Optellen onder elkaarGroep 5, Groep 6 · Getallen van drie cijfersDownload pdf
Voorbeeld van het werkblad ‘Aftrekken onder elkaar’Aftrekken onder elkaarGroep 5, Groep 6 · Getallen van drie cijfersDownload pdf

Snelle antwoorden

Wat zijn verliefde harten?

Op veel scholen de naam voor twee getallen die samen 10 zijn, zoals 3 en 7 of 4 en 6. Er zijn er maar zes: 0 en 10, 1 en 9, 2 en 8, 3 en 7, 4 en 6, 5 en 5. Kinderen leren ze in groep 3 uit het hoofd, omdat bijna elke latere som erop steunt.

Wanneer moet mijn kind de sommen tot 20 uit het hoofd kennen?

Volgens de tussendoelen van SLO kent een kind aan het eind van groep 3 de splitsingen en de plus- en minsommen tot en met 10 uit het hoofd, en aan het eind van groep 4 alle plus- en minsommen tot en met 20. Gaat het nog niet vlot, oefen dan elke dag een paar minuten.

Wat betekent lenen of inwisselen?

Bij cijferend aftrekken ruil je een tiental uit de kolom ernaast om voor tien eenheden (of een honderdtal voor tien tientallen), zodat er genoeg is om van af te trekken. Het getal blijft hetzelfde: 2 tientallen en 14 eenheden is nog steeds 34. Veel ouders kennen het als ‘lenen’; veel methodes zeggen nu ‘inwisselen’.

Mag mijn kind op de vingers tellen?

Ja, zolang het nog leert. Vingers helpen om te zien hoe getallen in elkaar zitten, zeker met de vijfstructuur: één hand is 5. Op den duur is het doel dat de splitsingen en de dubbelen er meteen zijn, zonder te tellen.

Oefenen met Indie

Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.

Verder leren