Leren › Ouders › Rekenen in het dagelijks leven
Voor ouders
Rekenen in het dagelijks leven: 38 korte activiteiten
De beste rekenoefeningen lijken vaak helemaal niet op rekenen. Als kinderen getallen gebruiken voor iets echts, zoals uitzoeken of hun zakgeld genoeg is of hoe lang het nog duurt tot het eten, snappen ze waarom ze rekenen, en dan blijft het beter hangen. Voorbereiden hoeft niet, en de meeste ideeën duren nog geen vijf minuten.
De activiteiten staan per groep, maar elk kind heeft zijn eigen tempo. Is iets nog te moeilijk, kies dan iets uit een eerdere groep; biedt het te weinig uitdaging, kijk dan bij de volgende groep. De antwoorden staan tussen haakjes.
Groep 1, 2 en 3 (4 tot 7 jaar)
Kleuters leren goed tellen, kleine hoeveelheden in één keer zien (zoals de ogen op een dobbelsteen) en begrijpen wat ‘meer’, ‘minder’ en ‘evenveel’ betekent. In groep 3 tellen ze tot 100, leren ze de splitsingen tot en met 10 uit het hoofd, maken ze sommen tot 20 en lezen ze hele uren af op de klok. Meer over groep 1 en 2 en groep 3.
In de keuken en aan tafel
- Lepels tellen. Bak je pannenkoeken? ‘Schep jij 4 lepels meel in de kom?’ Tel hardop mee, lepel voor lepel.
- De tafel dekken. ‘We zijn met z’n vieren. Hoeveel borden hebben we nodig? Opa en oma komen ook eten: hoeveel nu?’ (6.)
- Eerlijk delen. Verdeel 10 druiven over twee bakjes. Is het eerlijk? Hoe weet je dat? (Ja, als er in elk bakje 5 liggen.)
- De eierdoos. Er zitten 10 eieren in de doos en je gebruikt er 3. Hoeveel zitten er nog in? (7. Samen maken 3 en 7 precies 10: op veel scholen heten zulke paren ‘verliefde harten’.)
Boodschappen en geld
- Tellen in de zak. Op de markt: ‘We hebben 6 appels nodig. Doe jij ze in de zak?’
- De spaarpot omkeren. Sorteer samen de munten op grootte en kleur. Herkent je kind de munten van 1 en 2 euro? Hoeveel munten van 1 euro zijn evenveel waard als een briefje van 5? (5.)
- Gepast betalen bij de ijssalon. Een bolletje ijs kost 2 euro. Laat je kind betalen met munten van 1 euro. Hoeveel munten zijn dat? En voor twee bolletjes? (2 munten en 4 munten.)
Onderweg, spelletjes en de tijd
- Rode auto’s. Op de fiets of lopend naar school houden jullie allebei bij hoeveel rode auto’s je ziet. ‘Wie heeft er meer gezien, jij of ik?’
- Doortellen op het bord. Bij ganzenbord of mens-erger-je-niet zegt je kind na het gooien hoeveel ogen het ziet, zonder ze één voor één te tellen, en telt dan door vanaf het vakje van de pion.
- Pepernoten in rijtjes. Leg 13 pepernoten in rijtjes van 5, zoals de vijf rode en vijf witte kralen op het rekenrek. Zie je hoeveel het er zijn zonder alles te tellen? (Twee volle rijtjes is 10, en nog 3 erbij: 13.)
- Aftellen naar pakjesavond. Streep vanaf 1 december elke ochtend een dag door op de kalender. Op 1 december: hoeveel nachtjes slapen nog tot pakjesavond op 5 december? (4.)
- Hele uren. ‘Om 6 uur eten we.’ Hoe staan de wijzers dan? (De kleine wijzer op de 6 en de grote wijzer op de 12.) Laat ook zien dat een digitale klok dan 18.00 aangeeft.
Praat erover terwijl je bezig bent, en laat je kind zelf tellen, ook als dat langzaam gaat. Bij elk getal het voorwerp aanraken of opzijschuiven is op deze leeftijd een belangrijke gewoonte, dus geef je kind daar de tijd voor.
Groep 4, 5 en 6 (7 tot 10 jaar)
Nu rekent je kind tot 100, met wat de juf ‘rijgen’ en ‘splitsen’ noemt, en daarna tot 1000 en verder. In groep 4 komen de tafels van 1 tot en met 5 en van 10, in groep 5 alle tafels tot en met 10. Klokkijken gaat tot op de minuut, en er komen wisselgeld, gram en liter bij. In groep 6 volgen kommagetallen en breuken. Meer over groep 4, groep 5 en groep 6.
In de keuken
- De weegschaal aflezen. Het recept vraagt 250 gram meel. Bij welk streepje moet de wijzer staan? En staat de digitale weegschaal op 180 gram, hoeveel moet er dan nog bij? (70 gram.)
- Dubbel recept. Pannenkoeken voor 4 personen: 250 g meel, 500 ml melk en 2 eieren. Hoeveel heb je nodig voor 8 personen? (500 g meel, 1 liter melk en 4 eieren.)
- Wanneer is de cake klaar? De cake gaat om 16.10 uur de oven in en moet 45 minuten bakken. Hoe laat haal je hem eruit? (Om 16.55 uur: vijf voor vijf.)
- Appeltaart in stukken. Je snijdt een appeltaart in 8 gelijke stukken en jullie eten er 3 op. Welk deel van de taart is er nog? (⅝, vijf achtste.)
Boodschappen en geld
- Kaas op de markt. Bij de kaaskraam kost jonge kaas € 1,50 per 100 gram. Wat kost een stuk van 200 gram? En een pond, dus 500 gram? (€ 3 en € 7,50.)
- Wisselgeld bij de bakker. Een brood kost € 2,85 en je betaalt met een briefje van 5 euro. Hoeveel krijg je terug? (€ 2,15. Tel door: 15 cent erbij is € 3, en nog 2 euro is € 5.)
- Afronden op 5 cent. Betaal je contant, dan rondt de winkel het totaal af op 0 of 5 cent. Wat betaal je bij € 8,89? En bij € 23,37? (€ 8,90 en € 23,35.) Pin je, dan betaal je het precieze bedrag.
- Sparen voor iets moois. Je kind krijgt € 2 zakgeld per week en spaart voor een spel van € 15. Hoeveel weken duurt dat? (8 weken: na 7 weken heeft het pas € 14.)
- Raad de kassabon. In de supermarkt rondt je kind elk product in het karretje af op hele euro’s en telt in zijn hoofd mee. Hoe dicht zat het bij het bedrag op de bon?
Onderweg, spelletjes en de tijd
- Zijn we er bijna? De fietstocht naar opa en oma duurt 40 minuten en jullie fietsen al 15 minuten. Hoe lang nog? (25 minuten.)
- Treintijden. Op het bord staat dat de trein om 14.45 uur vertrekt. Hoe zeg je dat? (Kwart voor drie ’s middags.) Hij komt om 15.20 uur aan. Hoe lang duurt de rit? (35 minuten.)
- Tafelkaarten. Haal de plaatjes uit een spel kaarten, zodat je aas (1) tot en met 10 overhoudt. Draai er twee om en vermenigvuldig ze: wie het eerst het antwoord roept, krijgt de kaarten.
- Trakteren. Er zitten 28 kinderen in de groep en iedereen krijgt een mandarijn. Mandarijnen zitten in netjes van 6. Hoeveel netjes moet je kopen? (5 netjes, want 4 netjes zijn maar 24 mandarijnen. Er blijven er 2 over, bijvoorbeeld voor de juf.)
Groep 7 en 8 (10 tot 12 jaar)
In de bovenbouw werken kinderen met kommagetallen, breuken, procenten, de verhoudingstabel, schaal, het gemiddelde en temperaturen onder nul. Op school heten zulke opgaven ‘contextsommen’, en het dagelijks leven zit er vol mee. Meer over groep 7 en groep 8.
In de keuken
- Hutspot voor meer mensen. Voor 4 personen gebruik je 800 g aardappels, 600 g wortels en 2 uien. Hoeveel is dat voor 6 personen? (1200 g aardappels, 900 g wortels en 3 uien. Net als in een verhoudingstabel: voor 2 personen is het de helft, dus 400 g, 300 g en 1 ui, en 4 + 2 personen is 6.)
- Limonade aanlengen. Op de fles siroop staat: 1 deel siroop op 5 delen water. Hoeveel water hoort bij 50 ml siroop, en hoeveel limonade heb je dan? (250 ml water, samen 300 ml.)
Boodschappen en geld
- Korting uitrekenen. Een hoodie van € 35 heeft 20% korting. Wat kost hij nu? (10% is € 3,50, dus 20% is € 7. Hij kost € 28.)
- Wat is voordeliger? Een pak hagelslag van 400 gram kost € 2,40 en een pak van 600 gram kost € 3,30. Welk pak is voordeliger? (Per 100 gram: 60 cent tegen 55 cent, dus het grote pak.)
- De vrijmarkt op Koningsdag. Je kind verkoopt oud speelgoed. Iemand koopt een puzzel van € 2,50 en twee boekjes van € 0,50 en betaalt met een briefje van 5 euro. Hoeveel wisselgeld? (Samen € 3,50, dus € 1,50 terug.) Aan het eind zit er € 23,50 in het geldkistje, waarvan € 5 wisselgeld van thuis. Hoeveel is er verdiend? (€ 18,50.)
- Lootjes trekken. Het Sinterklaascadeau mag € 7,50 kosten. Past een boek van € 4,95 plus een chocoladeletter van € 1,95? Hoeveel blijft er over? (Ja. Reken handig: 5 euro plus 2 euro is 7 euro, min 2 keer 5 cent is € 6,90. Er blijft € 0,60 over.)
Onderweg, sport, het weer en spelletjes
- Schaal op de kaart. Op een fietskaart met schaal 1 : 50.000 is 1 cm in het echt 500 meter. Hoe ver is 7 cm op de kaart? (3500 meter, dus 3,5 km.)
- Op vakantie. Jullie vertrekken om 9.45 uur naar de camping en komen om 13.20 uur aan, met een half uur pauze onderweg. Hoe lang duurt de reis, en hoe lang zat je in de auto? (3 uur en 35 minuten; zonder de pauze 3 uur en 5 minuten.)
- Hoe hard fiets je? Je kind fietst 5 km naar de hockeyclub en doet daar 20 minuten over. Hoeveel kilometer per uur is dat? (15 km per uur: een uur is 3 keer 20 minuten, dus 3 × 5 km.)
- De Avondvierdaagse. Je loopt vier avonden 5 km. Hoeveel is dat samen? En als je 4 km per uur loopt, hoe lang ben je elke avond onderweg? (20 km. 5 : 4 = 1,25 uur, dus 1 uur en 15 minuten.)
- Onder nul. Op een winterochtend is het −3 °C, ’s middags 5 °C. Hoeveel graden is het warmer geworden? (8 graden: 3 graden tot 0 en dan nog 5.)
- De regenmeter. Zet een regenmeter buiten. Van maandag tot en met vrijdag valt er 4, 0, 11, 2 en 3 mm regen. Hoeveel is dat samen, en hoeveel gemiddeld per dag? (20 mm, dus gemiddeld 4 mm per dag.)
- Het getallenspel. Schrijf zes getallen op briefjes, bijvoorbeeld 2, 4, 6, 9, 25 en 50, en kies een doelgetal tussen 100 en 200, zoals 156. Kun je het maken met +, −, × en :, met elk getal hooguit één keer? (Bijvoorbeeld 6 × 25 + 4 + 2 = 156.)
Zo haal je er het meeste uit
- Eén per dag is genoeg. Je hoeft ze niet allemaal te doen. Eén vraag in de supermarkt of op de fiets telt al.
- Laat je kind ook jou vragen stellen. Kinderen vinden het heerlijk om een volwassene op een fout te betrappen, en wie zelf een som bedenkt, moet snappen hoe die in elkaar zit.
- Vraag hoe, niet alleen hoeveel. ‘Hoe heb je dat uitgerekend?’ is belangrijker dan het antwoord. Rekent je kind anders dan jij vroeger, bijvoorbeeld met rijgen op de getallenlijn in plaats van onder elkaar, laat het dan uitleggen hoe het in de klas gaat. Hoe dat werkt, lees je in zo leert je kind rekenen.
- Houd het luchtig. Is je kind moe of heeft het geen zin, laat het dan. Morgen is er weer een dag.
Snelle antwoorden
Ja. Je oefent hetzelfde als in de klas, zoals tellen, hoofdrekenen, geld, klokkijken en meten, en je kind ziet waarom rekenen ertoe doet. En als je kind hardop uitlegt hoe het iets aanpakt, oefent het wat het in de klas bij contextsommen ook moet doen.
Vraag eerst hoe het aan het antwoord is gekomen. Vaak ziet je kind de fout dan zelf. Lukt dat niet, probeer het dan samen nog eens met echte voorwerpen of met kleinere getallen.
Om het uit te rekenen liever niet: het gaat juist om het hoofdrekenen. Achteraf controleren op je telefoon kan wel leuk zijn. In groep 7 leren kinderen op school ook met de rekenmachine werken, en daar hoort precies dit bij: eerst schatten, dan controleren.
Oefenen met Indie
Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.