Leren › Leerkrachten › Rekenspelletjes
Voor leerkrachten
Rekenspelletjes voor in de klas
Met een goed rekenspel maakt elke leerling in korte tijd veel sommen, zonder werkblad. De 15 spelletjes hieronder vragen weinig of geen voorbereiding: je hebt niet meer nodig dan het digibord, wisbordjes, dobbelstenen, een spel kaarten, het honderdveld of cijferkaartjes. Bij elk spel lees je voor welke groepen het past, hoe je het speelt, wat het oefent en hoe je het aanpast. Ze passen naast elke rekenmethode.
Spelletjes voor de hele groep
1. Beequation op het bord (groep 3 t/m 8)
Zo speel je het: zet een honingraat met getallen op het digibord. Precies één getal is de som van twee andere getallen in de raat (of, bij een tafelpuzzel, het product). Leerlingen zoeken dat getal, schrijven de som op hun wisbordje en steken het op ‘drie’ allemaal tegelijk omhoog.
Wat het oefent: parate kennis en redeneren: leerlingen proberen tweetallen uit en strepen ze weg. Variant: plussommen tot 20 in groep 3 en 4, de tafels vanaf groep 4 en 5, en kommagetallen met tienden of honderdsten in groep 6 tot en met 8. Vraag net zo vaak ‘Hoe wist je dat 12 het niet was?’ als ‘Wat is het antwoord?’. In het gratis puzzelpakket staan 24 kant-en-klare honingraten met antwoorden, en het spel in de browser werkt op het digibord, zonder account.
2. Wie ben ik? (groep 2 t/m 8)
Zo speel je het: je denkt aan een getal op het honderdveld. De klas stelt ja-neevragen (‘Ben je groter dan 50?’, ‘Ben je een even getal?’, ‘Zit je in de tafel van 5?’) en streept weg wat niet meer kan. Of je draait het om en geeft zelf de aanwijzingen: ‘Ik zit tussen 40 en 50. Ik zit in de tafel van 6 én in de tafel van 8. Wie ben ik?’ (48). Wat het oefent: rekentaal (even, oneven, groter dan, veelvoud) en redeneren: de slimste vraag streept in één keer de helft weg. Variant: in groep 2 een getallenrij tot 20; in groep 7 en 8 vragen als ‘Ben je deelbaar door 3?’ of ‘Ben je een deler van 60?’.
3. Bingo (groep 2 t/m 8)
Zo speel je het: leerlingen schrijven 5 getallen op hun wisbordje, gekozen uit een reeks die jij aangeeft (bijvoorbeeld 1 tot en met 20). Jij leest sommen voor; staat de uitkomst op hun bordje, dan strepen ze die door. Wie als eerste alle 5 heeft doorgestreept, roept ‘Bingo!’. Wat het oefent: wat jij kiest: splitsingen, dubbelen, de tafels, een kwart van een hoeveelheid. Variant: in groep 2 een kaart met de getallen 1 tot en met 6, en jij laat een dobbelsteenbeeld zien in plaats van een som. Schrijf de sommen ook op het bord voor leerlingen die meer tijd of steun nodig hebben.
4. Flitsduel (groep 3 t/m 8)
Zo speel je het: twee leerlingen staan naast elkaar. Jij laat een flitskaart zien, bijvoorbeeld 8 + 7. Wie als eerste het goede antwoord zegt, loopt door naar de volgende leerling en neemt het tegen die leerling op; de ander gaat zitten. De rest van de groep schrijft elk antwoord op het wisbordje, zodat niemand alleen zit te kijken. Wat het oefent: automatiseren en memoriseren. Variant: splitsingen tot en met 10 in groep 3, plus en min tot 20 in groep 4, alle tafels en deeltafels in groep 5 en 6, en in groep 7 en 8 breuken, kommagetallen en procenten die bij elkaar horen (¼ = 0,25 = 25%). Flits alleen sommen die al zijn behandeld.
5. Tafelestafette (groep 4 t/m 6)
Zo speel je het: drie of vier teams staan in een rij, elk met een eigen kolom op het bord. Op ‘start’ schrijft de eerste leerling de eerste uitkomst van bijvoorbeeld de tafel van 7 op (7), geeft de stift door en sluit achteraan aan. De volgende schrijft 14, dan 21, tot en met 70. Wie een fout ziet, mag die verbeteren in plaats van een nieuw getal te schrijven. Het eerste team met een foutloze rij wint. Wat het oefent: de tafels in volgorde en controleren wat een ander heeft gedaan. Variant: in groep 4 de tafels van 2, 5 of 10; terugtellen van 70 naar 7; de hele som laten opschrijven (4 × 7 = 28); of in groep 7 en 8 sprongen van 0,25 tot 3, of van 75 tot 750.
Spelletjes voor tweetallen
6. Getallenlijnrace (groep 1 t/m 4)
Zo speel je het: elk tweetal heeft een getallenlijn tot 100 (of een honderdveld), twee dobbelstenen en een pionnetje per speler. Om de beurt gooi je, tel je de ogen op en zet je je pion verder, terwijl je hardop zegt waar je uitkomt: ‘Ik stond op 27, plus 9 is 36.’ Wie het eerst bij 100 is, wint. Wat het oefent: doortellen en optellen over het tiental heen (27 + 9 = 27 + 3 + 6). Variant: in groep 1 en 2 één dobbelsteen en een spelbord met 20 vakjes, waarbij kinderen de ogen herkennen zonder te tellen; in groep 3 tot 50; in groep 4 helemaal tot 100, of andersom van 100 naar 0 met minsommen (‘Ik stond op 63, min 8 is 55’).
7. Zeg 21 (groep 3 t/m 8)
Zo speel je het: twee spelers tellen om de beurt verder vanaf 1. Bij elke beurt zeg je één, twee of drie getallen. Wie 21 zegt, wint. Wat het oefent: tellen en, zodra leerlingen een strategie gaan zoeken, echt redeneren. De winnende getallen zijn 17, 13, 9, 5 en 1, steeds 4 uit elkaar. Wie begint, wint dus altijd door ‘1’ te zeggen en daarna steeds op die getallen uit te komen. Variant: verander het doel. Bij 20 zijn de winnende getallen 16, 12, 8 en 4. Bij de eerste beurt kom je niet verder dan 3, dus nu wint de tweede speler, als die de truc kent.
8. Vier op een rij met de tafels (groep 3 t/m 6)
Zo speel je het: teken een bord van 5 bij 5 vakjes met uitkomsten die je krijgt als je de ogen van twee dobbelstenen vermenigvuldigt. Om de beurt gooi je, reken je de keersom uit en leg je een fiche van je eigen kleur op de uitkomst. Wie vier op een rij heeft, wint. Wat het oefent: de tafels. Variant: in groep 3 en 4 tel je de ogen op in plaats van te vermenigvuldigen; in groep 5 en 6 gebruik je twee stapels kaartjes van 1 tot en met 10, zodat alle tafels meedoen. Mooi voor de nabespreking: waarom komt 12 veel vaker voor dan 25? (12 kan op vier manieren: 2 × 6, 6 × 2, 3 × 4 en 4 × 3. Voor 25 heb je twee vijven nodig.)
9. Het grootste getal (groep 4 t/m 8)
Zo speel je het: elke speler tekent drie vakjes voor honderdtallen, tientallen en eenheden (H, T, E). Draai één voor één cijferkaartjes van 0 tot en met 9 om. Voordat het volgende kaartje wordt omgedraaid, schrijft iedereen het cijfer in een vakje; daarna mag het niet meer verplaatst worden. Het grootste getal wint. Wat het oefent: positiewaarde en getallen vergelijken. Variant: alleen T en E in groep 4; spelen om het kleinste getal of om het getal dat het dichtst bij 500 ligt; vier vakjes (D, H, T, E) in groep 6; in groep 7 en 8 met een komma en vakjes voor tienden en honderdsten.
10. Zeeslag (groep 6 t/m 8)
Zo speel je het: elke speler verstopt schepen op een rooster en probeert de schepen van de ander te raken door plekken te noemen. Wat het oefent: plaatsen aangeven op een rooster. Variant: in groep 6 vakken met een letter en een cijfer, zoals C5, net als op een plattegrond; vanaf groep 7 coördinaten met positieve getallen, zoals (3, 5), op de snijpunten van de lijnen. Spreek af dat je eerst langs de horizontale as telt en dan langs de verticale: daar gaat het vaak mis.
Spelletjes voor groepjes
11. Tafelkwartet (groep 5 t/m 8)
Zo speel je het: groepjes van drie of vier maken eerst zelf een kwartetspel van 8 kwartetten (32 kaartjes). Elk kwartet is één tafelsom in vier vormen, bijvoorbeeld 4 × 6, 6 × 4, 24 : 6 en een plaatje van 4 rijen van 6 stippen. Verdeel alle kaarten. Wie aan de beurt is, vraagt een medespeler om een kaart uit een kwartet waarvan hij of zij er zelf al een heeft (‘Mag ik van jou 24 : 6?’). Krijg je hem, dan mag je nog een keer vragen; zo niet, dan is die ander aan de beurt. Wie de meeste kwartetten neerlegt, wint. Wat het oefent: keer- en deelsommen als elkaars omgekeerde. Het maken van de kaarten is al de helft van de oefening. Variant: in groep 7 en 8 een kwartet met breuken, kommagetallen en procenten: ¾, 0,75, 75% en een strook waarvan ¾ is gekleurd.
12. Pesten met sommen (groep 3 t/m 5)
Zo speel je het: haal de plaatjes, de jokers en de tienen uit een spel kaarten; de aas telt als 1. Iedereen krijgt 7 kaarten en er ligt één kaart open. Je mag een kaart opleggen van dezelfde kleur (harten, ruiten, klaveren of schoppen), of een kaart die samen met de bovenste 10 maakt, en dan zeg je de som hardop: ‘3 en 7 is 10.’ Kun je niet, dan pak je een kaart. Wie als eerste geen kaarten meer heeft, wint. Wat het oefent: de splitsingen van 10 (in veel klassen ‘verliefde harten’). Variant: in groep 4 en 5 doen de tienen weer mee en mag je ook opleggen als de twee kaarten samen meer dan 10 zijn, zolang je de som goed zegt: ‘8 en 6 is 14.’
13. De klassenwinkel (groep 3 t/m 7)
Zo speel je het: zet prijzen op spullen uit de klas, of houd een vrijmarkt zoals op Koningsdag, met speelgeld. Eén leerling staat achter de kassa, de anderen kopen en controleren hun wisselgeld. Wat het oefent: rekenen met geld, optellen en teruggeven. Variant: in groep 3 hele euro’s met munten van 1 en 2 euro en briefjes van 5 en 10 euro (een gum van € 2 en een schrift van € 5: gepast € 7 betalen); in groep 5 prijzen die op 0 of 5 cent eindigen, want bij contant betalen wordt het bedrag vaak afgerond op 5 cent (een schrift van € 1,80 en een potlood van € 0,65 kosten € 2,45, dus van een briefje van 5 euro krijg je € 2,55 terug); in groep 7 uitverkoop: een rugzak van € 25 met 20% korting kost € 20.
14. Doelgetal (groep 6 t/m 8)
Zo speel je het: gooi vier dobbelstenen en schrijf een doelgetal op het bord. Elk groepje gebruikt alle vier de getallen precies één keer, met bewerkingen naar keuze, om het doelgetal te maken of er zo dicht mogelijk bij te komen. Wat het oefent: hoofdrekenen en flexibel denken. Voorbeeld: met 2, 3, 5 en 6 en het doelgetal 24 kan 6 × (5 − 3) × 2. Ook 6 × 5 − 3 × 2 klopt, want keer gaat voor min: 30 − 6 = 24. Een mooie aanleiding om in groep 8 de volgorde van bewerkingen te bespreken. Variant: maak het doelgetal kleiner of gebruik drie dobbelstenen voor jongere leerlingen.
15. Honingraten bouwen (groep 4 t/m 8)
Zo speel je het: elk groepje maakt een honingraat van vijf getallen waarin precies één getal de som (of het product) is van twee andere, en ruilt die met een ander groepje om op te lossen. Wat het oefent: parate kennis en systematisch controleren, want de makers moeten nagaan dat geen enkel ander tweetal werkt. Variant: hoe meer getallen in de raat, hoe lastiger het wordt om maar één goed antwoord over te houden.
Leer een nieuw spel eerst aan met de hele klas, waarbij jij op het bord tegen de groep speelt. Kent iedereen de regels, dan kan hetzelfde spel wekenlang in tweetallen of groepjes terugkomen met steeds andere getallen. Zo heb je tijd voor de leerlingen die verlengde instructie nodig hebben.
Een hele dag spelen en onderzoeken: De Grote Rekendag
Wil je een keer groter uitpakken? Doe dan mee met De Grote Rekendag. Het Freudenthal Instituut van de Universiteit Utrecht maakt daar elk jaar nieuw materiaal voor: een dag voor groep 1 tot en met 8 die helemaal in het teken staat van rekenen, met onderzoekende en speelse opdrachten rond een thema dat elk jaar anders is. Kijk op de site van het instituut wanneer de volgende editie is. Of houd zelf een rekenmiddag: zet een paar spelletjes van deze pagina klaar in hoeken, laat groepjes doordraaien en bespreek na afloop welke slimme aanpakken ze hebben ontdekt.
Snelle antwoorden
Ja, als het spel ze veel laat rekenen en erover laat praten. Let erop dat elke speler bij elke beurt zelf rekent, en niet zit te wachten terwijl een ander het denkwerk doet.
Speel in teams, laat de hele klas tegen jou spelen, of geef ook punten voor een goede uitleg in plaats van alleen voor het goede antwoord. Spelletjes waarbij iedereen op een wisbordje schrijft, houden bovendien de hele groep erbij.
Vier op een rij, het tafelkwartet, de tafelestafette, het flitsduel en honingraten met keersommen geven snelle, herhaalde oefening. Volgens de SLO-tussendoelen kennen leerlingen aan het eind van groep 4 de tafels van 1, 2, 3, 4, 5 en 10 uit het hoofd, aan het eind van groep 5 alle tafels tot en met 10, en in groep 6 ook de deeltafels. Er is geen landelijke tafeltoets: het gaat erom dat leerlingen de tafels vlot kunnen gebruiken.
Oefenen met Indie
Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.