Leren › Tafels oefenen
Gids voor ouders en leerkrachten
Tafels oefenen met je kind
De tafeltjes komen je kind de hele basisschool door van pas. Een kind dat meteen weet dat 7 × 8 = 56 (‘zeven keer acht is zesenvijftig’), houdt zijn hoofd vrij voor waar het echt om gaat: een deelsom op papier, een breuk of een verhaaltjessom van drie regels die je goed moet lezen.
Wanneer leert je kind welke tafels?
In Nederland leren kinderen de tafels van 1 tot en met 10. De tafels van 11 en 12 horen er op de basisschool niet standaard bij. In groep 3 tellen kinderen al in groepjes en sprongen; met de tafels zelf beginnen ze meestal in groep 4. De tabel volgt de tussendoelen van SLO, het landelijke expertisecentrum voor het curriculum. Het precieze moment verschilt per school en per rekenmethode.
| Groep | Wat kinderen meestal leren |
|---|---|
| Groep 4 | Wat ‘keer’ betekent (een aantal keer hetzelfde groepje) en het teken ×. Aan het eind van het jaar de tafels van 1, 2, 3, 4, 5 en 10 uit het hoofd. |
| Groep 5 | Alle tafels tot en met 10 uit het hoofd, ook door elkaar. Het deelteken : en de eerste deelsommen, ook met rest. De deeltafels vlot uitrekenen. |
| Groep 6 | De deeltafels uit het hoofd (56 : 8 = 7). Keer- en deelsommen op papier met grotere getallen. |
| Groep 7 en groep 8 | De tafels worden niet meer apart geoefend, maar je kind gebruikt ze steeds: bij keersommen als 35 × 67, bij delen door een getal van twee cijfers, bij het vereenvoudigen van breuken en bij procenten. |
Heeft je kind een ander tempo? Dat geeft niet: uiteindelijk gaat het erom dat de tafels er vanzelf uit komen.
Er is geen landelijke tafeltoets
In Nederland bestaat er geen landelijke toets voor de tafels. De juf of meester houdt in de klas bij hoe het gaat, bijvoorbeeld met flitsen, een tafeldictee of de toets aan het eind van een blok van de rekenmethode. De toetsen van het leerlingvolgsysteem (vaak ‘de Cito-toetsen’ genoemd) en de doorstroomtoets in groep 8 toetsen rekenen als geheel, niet de tafels apart. Meer daarover in de rekentoetsen uitgelegd.
Toch doen de tafels ertoe. Ze komen terug in bijna alles wat daarna komt:
- Deelsommen. Bij 296 : 8 met de hapmethode neemt je kind eerst een hap van 30 keer 8, dat is 240. Er blijft 56 over, en dat is precies 7 keer 8. Samen 37 keer, dus 296 : 8 = 37 (terugrekenen: 37 × 8 = 296). Elke hap is een tafelvraag. Moet je kind elke hap op zijn vingers uittellen, dan raakt het de draad kwijt.
- Breuken. Voor ¾ van 20 reken je 20 : 4 = 5 en 5 × 3 = 15. En om 18/24 te vereenvoudigen moet je zien dat beide getallen in de tafel van 6 zitten: 18/24 = 3/4.
- Procenten. 25% korting op € 80 is een kwart van 80 eraf: 80 : 4 = 20, dus je betaalt € 60. Zulke sommen komt je kind tegen in groep 7 en 8, ook op de doorstroomtoets, en telkens zit er een tafel in verstopt.
Eerst begrijpen, dan automatiseren
Veel ouders hebben de tafels zelf leren opzeggen: ‘één keer zeven is zeven, twee keer zeven is veertien, drie keer zeven is eenentwintig…’. Dat helpt om het rijtje te onthouden, maar er zit een addertje onder het gras: moet je kind voor 7 × 8 eerst het hele rijtje afgaan, dan kent het de tafel nog niet echt. Het doel is dat elke som er meteen uit komt, in welke volgorde ook. Leerkrachten noemen dat automatiseren (een som steeds sneller kunnen uitrekenen) en memoriseren (de uitkomst meteen weten).
Voordat je kind gaat stampen, helpt het als het snapt wat een keersom betekent. 4 × 3 is 4 groepjes van 3, dus 3 + 3 + 3 + 3 = 12. In de klas heet dat herhaald optellen. Rijen laten het in één oogopslag zien, zoals in een eierdoos of een reep chocola. Ze helpen ook om een vergeten som terug te vinden:
Zo werken veel kinderen in de klas ook: ze leiden een lastige som af van een som die ze al kennen, zoals 1 ×, 2 ×, 5 × of 10 ×. Op veel scholen heten zulke sommen steunsommen. Maak thuis ook eens samen een tafelkaart met alle tafels, en geef elke som die je kind vlot weet een kleurtje. Zo ziet het de kaart steeds voller worden.
Trucjes die het leerwerk lichter maken
Verwisselen mag. Wie 3 × 8 kent, kent ook 8 × 3. En omdat de tafels van 1 en 10 bijna vanzelf gaan, blijven er van de 100 sommen in de tafels van 1 tot en met 10 maar 36 verschillende over om echt te leren.
De ene tafel volgt uit de andere.
- De tafel van 2 is verdubbelen: 2 × 7 is het dubbele van 7, dus 14.
- De tafel van 4 is het dubbele van de tafel van 2: 4 × 7 is het dubbele van 14, dus 28.
- De tafel van 8 is het dubbele van de tafel van 4: 8 × 7 is het dubbele van 28, dus 56.
- De tafel van 6 is het dubbele van de tafel van 3: 6 × 7 is het dubbele van 21, dus 42.
- De tafel van 5 eindigt altijd op 0 of 5, en is de helft van de tafel van 10: 5 × 8 is de helft van 80, dus 40.
- De tafel van 10: bij hele getallen komt er een nul achter het getal. 10 × 6 = 60.
De tafel van 9: tien keer min één keer. 9 × 7 is hetzelfde als 10 × 7 min één keer 7: 70 − 7 = 63. Bij elke uitkomst van de tafel van 9 tellen de cijfers samen op tot 9 (18, 27, 36, 45…). Het kan ook met je vingers: strek alle tien vingers en buig voor 9 × 4 de vierde vinger van links. Links ervan staan 3 vingers (de tientallen), rechts 6 (de eenheden): 36. Dat werkt voor de hele tafel.
De tafel van 7 als laatste. Kent je kind de andere tafels al, dan is er van de tafel van 7 nog maar één nieuwe som over: 7 × 7 = 49. Alle andere kent het al andersom (7 × 8 is hetzelfde als 8 × 7). En voor de lastigste is er een ezelsbruggetje: ‘5, 6, 7, 8’, dus 56 = 7 × 8.
Vijf minuten per dag levert meer op dan een uur op zondag. Zoek de twee of drie sommen die je kind lastig vindt (vaak zijn dat 6 × 7 = 42, 6 × 8 = 48, 7 × 8 = 56 of 8 × 9 = 72) en kom daar vaak op terug: in de auto, bij het tafeldekken of op de fiets naar school. Laat je kind er ook de deelsom bij zeggen (56 : 8 = 7), dan oefent het de deeltafels meteen mee. En stop terwijl het nog leuk is: dan begint je kind de volgende keer met meer zin.
Spelletjes om de tafels te oefenen
In sommen en verhaaltjessommen komen de tafels door elkaar voor, niet in rijtjes. Bij deze spelletjes gebeurt dat vanzelf:
- Zoemen. Om de beurt tel je hardop, maar bij elk getal uit de gekozen tafel zeg je ‘bzzz!’, zoals een bij. Met de tafel van 3: 1, 2, bzzz!, 4, 5, bzzz!… Vergist iemand zich, dan begin je weer bij 1.
- Flitsen. Net als in de klas: maak kaartjes met de som voorop en het antwoord achterop, en laat ze steeds even zien. Kaartjes die je kind meteen weet, gaan op de ‘kan ik’-stapel.
- Oorlogje met tafels. Haal de plaatjes en jokers uit een spel kaarten (de aas telt als 1). Iedere speler draait twee kaarten om en vermenigvuldigt ze. Wie het grootste product heeft, krijgt alle kaarten van die ronde.
- Welke tafel ben ik? Noem een getal, en je kind zoekt alle keersommen uit de tafels die dat getal opleveren. 24 zit in vier keersommen: 3 × 8, 4 × 6, 6 × 4 en 8 × 3.
- Het honderdveld kleuren. Kleur op een honderdveld de getallen uit één tafel. De tafel van 5 geeft twee kolommen, de tafel van 10 één, en de tafel van 9 loopt schuin naar beneden: 9, 18, 27… Zo’n patroon blijft beter hangen.
Een honingraat vol tafels
In de tafelpuzzels van Beequation is één getal in de honingraat het product van twee andere. Om het te vinden, probeer je paren uit en denk je na over delers, niet alleen over uitkomsten. Zie jij welk getal het is?
Bekijk het antwoord
36, want 4 × 9 = 36.En een moeilijkere, met grotere getallen uit de tafels:
Bekijk het antwoord
56, want 7 × 8 = 56.Een tip voor deze puzzels: het getal dat je zoekt, is meestal een van de grootste. Deel het door de kleinere getallen en kijk of het precies uitkomt. 56 : 7 = 8, en die 8 staat er ook in.
In de Tafeltuin van Beequation Kids worden de puzzels stap voor stap moeilijker, zonder klok, en Indie de bij geeft een tip als je kind vastzit. Je kunt tafelpuzzels ook gratis in je browser spelen. Voor leerkrachten heeft ons gratis puzzelpakket twaalf tafelpuzzels met de tafels van 2 tot en met 6, met antwoorden, klaar om te printen.
De uitdaging van IndieIndie vliegt langs de bloembakken op het balkon van opa en oma. Er staan 6 bakken met elk 7 tulpen en 4 bakken met elk 9 narcissen. Bij hoeveel bloemen komt Indie langs? Bekijk het antwoord
Indie komt bij 78 bloemen langs. In de 6 bakken met 7 tulpen staan 6 × 7 = 42 tulpen, en in de 4 bakken met 9 narcissen staan 4 × 9 = 36 narcissen. Samen is dat 42 + 36 = 78.
Snelle antwoorden
Tot en met de tafel van 10. Volgens de SLO-doelen kent je kind aan het eind van groep 4 de tafels van 1, 2, 3, 4, 5 en 10, aan het eind van groep 5 alle tafels tot en met 10, en in groep 6 ook de deeltafels. De tafels van 11 en 12 horen er op de basisschool niet standaard bij.
Heel normaal: je kind loopt dan in gedachten nog het rijtje af. Vraag elke dag een paar losse sommen door elkaar, te beginnen met sommen die je kind kan afleiden (verdubbelen, de tafel van 5 of 10). Met spelletjes als oorlogje en flitsen komt de afwisseling vanzelf.
Dat hoeft niet, en sommige kinderen raken er gespannen van. Eerst gaat het erom dat de antwoorden kloppen; de snelheid komt met het oefenen. Vindt je kind racen tegen de klok juist leuk, laat het dan tegen de eigen tijd spelen, nooit tegen die van een ander. Meer tips in zo help je je kind thuis met rekenen en, als rekenen spanning geeft, in rekenangst.
Oefenen met Indie
Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.