Leren › Leerkrachten › Redeneren en probleemoplossen

Voor leerkrachten

Redeneren en probleemoplossen

Vindt een bij bloemen, dan doet ze in de korf een kwispeldans om de andere bijen de weg te wijzen. Uitleggen hoe je aan je antwoord bent gekomen, is jouw kwispeldans: zo kunnen anderen je volgen.

Rekenen is meer dan sommen uitrekenen. De nieuwe kerndoelen rekenen en wiskunde, die sinds 1 augustus 2026 gelden, zeggen het met zoveel woorden: de leerling ‘gebruikt wiskundige denk-werkwijzen’ (kerndoel 15), ‘gebruikt wiskundetaal en wiskundig gereedschap’ (16) en ‘past wiskunde toe in bekende en nieuwe situaties’ (18). Scholen mogen nog tot 2031 met de kerndoelen uit 2006 werken, maar de richting is duidelijk. Redeneren is uitleggen, verantwoorden en regelmaat ontdekken: ‘Hoe weet je dat?’ Probleemoplossen is wat je weet gebruiken in een situatie die je nog niet eerder bent tegengekomen.

Ook de tussendoelen van SLO komen er bij elk onderwerp op terug, met regels als ‘kan kritisch denken en redeneren over…’ en een voorbeeldvraag. Voor eind groep 3: ‘Josien en Aref wonen allebei op nummer 12. Maar niet bij elkaar in huis. Hoe kan dat?’ (Ze wonen in een andere straat.) Voor eind groep 4: ‘Kun je 25 euro betalen met 4 briefjes?’ (Ja: drie briefjes van 5 euro en één briefje van 10 euro.) Een aparte les heb je daar niet voor nodig: redeneren groeit uit de vragen die je elke dag stelt. De ideeën hieronder passen bij elk onderwerp, elke groep en elke rekenmethode.

Vragen die leerlingen aan het denken zetten

Zet er een paar op een kaartje aan je keycord of op de muur van de klas, en gebruik ze tot ze vanzelf komen:

Overtuig me maar!

Geef leerlingen iets wat ze al weten, en vraag ze jou (of een kritisch maatje) ervan te overtuigen dat het klopt. ‘Dat weet ik gewoon’ is dan niet genoeg.

Een tekening, het rekenrek, MAB-materiaal of een getallenlijn telt ook als bewijs.

Waar of niet waar?

Schrijf een bewering op het bord. Leerlingen beslissen of die klopt en leggen uit waarom. Zorg voor een mix van ware en onware beweringen, zodat gokken niet loont.

GroepBeweringAntwoord
Groep 1 en 2Als ik mijn 5 blokjes verder uit elkaar leg, heb ik meer blokjes.Niet waar. Het zijn er nog steeds 5; ze nemen alleen meer ruimte in.
Groep 315 − 6 = 6 − 15Niet waar. 15 − 6 = 9, en 6 − 15 kan met de getallen van groep 3 niet eens. Bij plussommen mag je omdraaien (7 + 3 = 3 + 7), bij minsommen niet.
Groep 4Als je 10 bij een getal optelt, blijft het cijfer van de eenheden hetzelfde.Waar. 46 + 10 = 56: alleen het cijfer van de tientallen verandert.
Groep 5Alle uitkomsten van de tafel van 4 zijn even.Waar. Elke uitkomst is een aantal keer 4, en 4 is twee keer 2: je kunt elke uitkomst dus eerlijk in tweeën verdelen. 4, 8, 12, … 40 zijn allemaal even.
Groep 6¼ is meer dan ⅓, want 4 is meer dan 3.Niet waar. Snijd je een pannenkoek in 4 gelijke stukken, dan is elk stuk kleiner dan wanneer je hem in 3 stukken snijdt.
Groep 74,25 is meer dan 4,3, want 25 is meer dan 3.Niet waar. 4,3 is 4,30: dertig honderdsten, en dat is meer dan vijfentwintig honderdsten.
Groep 8Als je vermenigvuldigt, wordt een getal altijd groter.Niet waar. 5 × 1 = 5, 5 × 0 = 0 en 5 × ½ = 2½.

SLO geeft voor groep 3 zelf zo’n vraag: ‘Zijn twee muntjes altijd meer waard dan één muntje?’ (Nee: twee munten van 1 euro zijn samen precies evenveel waard als één munt van 2 euro.) Daarna bedenken leerlingen graag hun eigen beweringen om elkaar mee op het verkeerde been te zetten.

Zoek de fout

Laat een uitgewerkte som zien waar een fout in zit, en vraag leerlingen die fout te vinden, uit te leggen en te verbeteren. Dat is minder spannend dan je eigen werk nakijken, en je pakt de misvattingen aan die je al ziet aankomen.

De tip van Indie

Laat de fout van iemand anders zijn: ‘Een leerling uit een andere groep heeft dit opgeschreven.’ Kinderen vinden het heerlijk om fouten te vinden in het werk van een onbekende, en wie dezelfde fout zou hebben gemaakt, leert ervan zonder zich betrapt te voelen.

Open opdrachten

Opdrachten met meer dan één antwoord, of met één antwoord maar veel routes, zorgen dat iedereen kan beginnen en dat snelle rekenaars altijd verder kunnen.

Contextsommen: eerst begrijpen, dan rekenen

In het realistisch rekenen begint bijna alles met een context. Dan moeten leerlingen de som wel zelf uit het verhaal leren halen. Een vaste aanpak helpt:

  1. Wat weet je? Zet de gegevens kort onder elkaar.
  2. Wat wil je weten? Zeg de vraag in je eigen woorden.
  3. Welk model helpt? Een tekening, de getallenlijn, een strook of een verhoudingstabel.
  4. Reken uit, op de manier die jij handig vindt.
  5. Klopt het? Vergelijk met je schatting en schrijf een antwoordzin.

Een voorbeeld voor groep 5 of 6: Lotte betaalt bij de bakker met een briefje van € 10. Ze koopt 2 krentenbollen van € 0,85 en een brood van € 2,95. Hoeveel krijgt ze terug? Eerst schatten: ze geeft ongeveer € 2 en € 3 uit, dus ze krijgt ongeveer € 5 terug. Dan uitrekenen: 2 × € 0,85 = € 1,70, en € 1,70 + € 2,95 = € 4,65. Het wisselgeld vind je door aan te vullen: van € 4,65 naar € 5 is € 0,35, en dan nog € 5 tot € 10, samen € 5,35. Antwoordzin: ‘Lotte krijgt € 5,35 terug.’ Controle: € 4,65 + € 5,35 = € 10.

Pas op met signaalwoorden. ‘Over’ klinkt als min, maar ‘Noor koopt een boek van € 5 en heeft daarna nog € 3 over. Hoeveel had ze eerst?’ los je op met een plussom: € 5 + € 3 = € 8. Een tekening werkt beter dan losse woorden zoeken.

Het strokenmodel

Met het strokenmodel teken je de situatie als stroken: leerlingen zien wat ze weten en wat ze zoeken, nog voordat ze een bewerking kiezen. Jongere leerlingen beginnen met het splitshuis: het geheel boven, de twee delen eronder. ‘In groep 4 zitten 23 kinderen. Er komen 14 kinderen op de fiets naar school. Hoeveel kinderen komen niet op de fiets?’ Het geheel is 23, één deel is 14, dus het andere deel is 23 − 14 = 9.

DaanYara48
Yara heeft 3 keer zoveel stickers als Daan, en samen hebben ze er 48. Vier even grote vakjes zijn 48, dus één vakje is 48 : 4 = 12, en Yara heeft 3 × 12 = 36 stickers.

Ook bij breuken werkt de strook goed. In groep 7 of 8: ‘Fenna geeft ⅖ van haar spaargeld uit en houdt € 18 over. Hoeveel had ze eerst?’ Teken een strook van 5 gelijke delen en kleur er 2 als uitgegeven. De 3 delen die over zijn, zijn samen € 18, dus één deel is € 6 en de hele strook is 5 × € 6 = € 30. Controle: ⅖ van € 30 is € 12, en € 30 − € 12 = € 18.

uitgegeven: ⅖over: € 18 € 6€ 6€ 6
Twee vijfde is uitgegeven; de drie vijfde die over zijn, zijn € 18, dus € 6 per deel.

De verhoudingstabel: meer dan één goede route

De verhoudingstabel is een typisch Nederlands model, en een prachtig hulpmiddel om over te redeneren, omdat leerlingen zelf hun tussenstappen kiezen. ‘Voor 4 pannenkoeken heb je 100 gram bloem nodig. Hoeveel bloem heb je nodig voor 14 pannenkoeken?’

Pannenkoeken421214
Bloem (gram)10050300350

Deze leerling halveerde (2 pannenkoeken, 50 gram), nam 3 keer zoveel (12 pannenkoeken, 300 gram) en telde de kolommen van 12 en 2 bij elkaar op: 350 gram. Een ander gaat via 1 pannenkoek (25 gram) en doet dat keer 14: ook 350 gram. Zet twee tabellen naast elkaar en vraag: ‘Klopt het bij allebei? Welke route vind jij handiger, en waarom?’

Zinsstarters: zo leg je uit hoe je denkt

Veel leerlingen weten het antwoord wel, maar niet hoe ze moeten zeggen waarom. Zinsstarters geven ze de woorden, en dat is precies de wiskundetaal waar kerndoel 16 om vraagt. Doe ze zelf voor, hang ze op en vraag om hele zinnen:

Combineer ze met een schoudermaatje: eerst zelf nadenken, dan aan je maatje uitleggen, en pas daarna in de hele groep delen.

Snelle antwoorden

Wat is het verschil tussen redeneren en probleemoplossen?

Redeneren is uitleggen en verantwoorden: waarom iets klopt, of waarom een aanpak werkt. Probleemoplossen is rekenen toepassen in een nieuwe situatie. Ze overlappen: wie een probleem goed oplost, redeneert onderweg bijna altijd.

Is redeneren alleen iets voor de plusklas?

Nee. Elke leerling kan redeneren over rekenwerk dat hij of zij al beheerst. Gebruik kleinere getallen of materiaal zoals het rekenrek en MAB-materiaal, zodat het rekenen het denken niet in de weg zit.

Wordt redeneren ook getoetst?

Er is geen aparte redeneertoets. Maar veel opgaven in de LVS-toetsen van groep 3 tot en met 8 en in de doorstroomtoets van groep 8 zijn contextopgaven: leerlingen moeten zelf bedenken welke som er in het verhaal zit. Voor ouders staat het overzicht in de rekentoetsen uitgelegd.

Hoe krijg ik stille leerlingen aan het praten?

Geef denktijd, laat ze eerst aan een maatje uitleggen en bied zinsstarters aan. Het uitleggen aan één klasgenoot is veel minder spannend dan aan de hele groep.

Oefenen met Indie

Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.

Verder lezen