Leren › Onderwerpen › Rekenen met geld
Uitleg per onderwerp
Rekenen met geld
Bij rekenen met geld leren kinderen op de basisschool de munten en briefjes kennen en weten hoeveel ze waard zijn, bedragen tellen en opschrijven in euro's en centen, en uitrekenen wat iets kost en hoeveel je terugkrijgt. Tellen, positiewaarde, optellen en aftrekken en later kommagetallen en procenten komen hier samen, in iets waar kinderen echt warm voor lopen: wat ze met hun zakgeld kunnen kopen.
In Nederland wordt het meeste betaald met de pinpas of de telefoon, dus veel kinderen zien nog maar weinig contant geld. Juist daarom is het waardevol om thuis met echte munten te oefenen. En wie contant betaalt, merkt dat het totaal vaak wordt afgerond op 5 cent.
Wat kinderen per groep leren
De tabel volgt de tussendoelen per groep van SLO, het landelijke expertisecentrum voor het curriculum. Elke school werkt met een eigen rekenmethode, dus het precieze moment verschilt per school en per rekenmethode.
| Groep | Wat ze leren |
|---|---|
| Groep 1 en 2 | Ontdekken dat dingen geld kosten, vaak spelenderwijs in de winkelhoek van de klas. Gepast betalen met munten van 1 euro, voor bedragen onder de 10 euro, en tot tien munten van 1 euro bij elkaar tellen. |
| Groep 3 | De munten van 1 en 2 euro en de briefjes van 5 en 10 euro. Daarmee bedragen tot 20 euro samenstellen: 13 euro is een briefje van 10, een munt van 2 en een munt van 1. |
| Groep 4 | Alle munten en briefjes. Bedragen tot 2 euro leggen met munten, en hele bedragen tot 100 euro met munten en briefjes. Geld wisselen: 4 briefjes van 5 euro zijn evenveel waard als 1 briefje van 20. |
| Groep 5 | Bedragen schrijven met een komma, zoals € 4,95: 4 euro en 95 cent. Wisselgeld uitrekenen als er met een briefje tot 100 euro betaald wordt. |
| Groep 6 | Bedragen tot ongeveer 5000 euro, ook met zo weinig mogelijk briefjes en munten. Een bedrag keer een heel getal: 3 tandenborstels van € 2,25 kosten € 6,75. Prijzen per stuk, per kilo en per liter. |
| Groep 7 | Procenten en korting: 25% korting op een jas van € 80 is € 20 korting, dus je betaalt € 60. Kommagetallen onder elkaar optellen en aftrekken, en rekenen met de rekenmachine. |
| Groep 8 | Procenten boven de 100% (btw, rente, winst en verlies) en zelf een kortingspercentage uitrekenen: van € 150 naar € 105 is 30% korting. Wisselkoersen: hoeveel krijg je voor je euro's op vakantie? |
De belangrijkste ideeën
1. De munten en briefjes kennen
Er zijn acht euromunten: 1, 2, 5, 10, 20 en 50 cent, 1 euro en 2 euro. En er zijn zes briefjes: 5, 10, 20, 50, 100 en 200 euro. (Het briefje van 500 euro wordt niet meer uitgegeven.)
Kijk nog eens naar het plaatje: de munt van 10 cent is kleiner dan die van 5 cent, en de munt van 50 cent is groter dan die van 1 euro. Aan de grootte of de kleur zie je dus niet wat een munt waard is; je moet het getal lezen. Bij de briefjes werkt het wel: hoe meer een briefje waard is, hoe groter het is, en elk briefje heeft een eigen kleur (5 euro grijs, 10 euro rood, 20 euro blauw, 50 euro oranje). Munten leer je het best kennen door een handvol echte munten te sorteren.
Munten van 1 en 2 cent zijn nog steeds geldig, maar je krijgt ze in Nederland bijna nooit meer terug. In de praktijk rekenen kinderen dus met munten vanaf 5 cent.
2. Geld tellen: begin bij de munten die het meest waard zijn
Jonge kinderen tellen elke munt vaak als 1, en dan worden drie munten ‘3 cent’. Laat zien dat één munt van 20 cent evenveel waard is als vier munten van 5 cent.
Om een handvol geld te tellen, leg je eerst de munten op stapeltjes van dezelfde waarde. Dan begin je bij de munten die het meest waard zijn en tel je door. Twee munten van 20 cent, een van 10 en een van 5: ‘20, 40, 50, 55. Dat is 55 cent.’ Met euro's erbij gaat het net zo: een munt van 2 euro, een van 1 euro, twee van 20 cent en een van 5 cent is ‘2 euro, 3 euro, 3,20, 3,40, 3,45’, dus € 3,45. Dat is tellen met sprongen van 20, 10 en 5, net als bij tellen en getalbegrip.
Hetzelfde bedrag kun je op veel manieren leggen: 1 euro is twee munten van 50 cent, vijf van 20 cent of tien van 10 cent. Wil je zo weinig mogelijk munten, neem dan steeds de grootste munt die nog past. Voor 85 cent is dat 50 + 20 + 10 + 5 cent: vier munten. In groep 6 gebeurt hetzelfde met briefjes: € 385 is 200 + 100 + 50 + 20 + 10 + 5 euro, zes briefjes.
3. Euro's en centen
100 cent is 1 euro. Een bedrag schrijf je met het euroteken vooraan, meestal met een spatie, en een komma tussen de euro's en de centen: € 3,45 is 3 euro en 45 cent, of 345 cent. Je zegt ‘drie euro vijfenveertig’. Op prijskaartjes staan ronde bedragen vaak als € 4,- of als € 4.
Achter de komma staan altijd twee cijfers: € 2,07 is 2 euro en 7 cent, € 2,70 is 2 euro en 70 cent. Schrijf alles in centen of alles in euro's: 45 cent of € 0,45, maar niet ‘€ 0,45 cent’. Bij grote bedragen staat een punt tussen de duizendtallen en de honderdtallen: € 12.500. Bij vier cijfers mag die punt weg: € 1250 of € 1.250.
4. Contant betalen: afronden op 5 cent
Betaal je contant, dan mogen winkels het totaal afronden op 0 of 5 cent. Dat staat meestal op een sticker bij de kassa. Eindigt het totaal op 1 of 2 cent, dan gaat het omlaag naar 0; op 3 of 4 omhoog naar 5; op 6 of 7 omlaag naar 5; op 8 of 9 omhoog naar het volgende tiental. Zo wordt € 23,37 contant € 23,35, en € 8,89 wordt € 8,90. Alleen het totaal wordt afgerond, niet elk product apart. Wie pint, betaalt het precieze bedrag.
Voor kinderen is dit mooie oefenstof: het is afronden zoals ze dat al kennen, maar dan op vijftallen, en ze zien meteen waarom het bonnetje en het bedrag in je hand een paar cent kunnen verschillen.
Laat je kind bij de bakker of de ijssalon zelf contant betalen, en vraag vooraf: ‘Hoeveel krijg je terug?’ Pin je zelf bijna altijd, houd dan een spaarpot met munten apart en speel thuis winkeltje met prijskaartjes op blikken en speelgoed. Kies daarbij prijzen die op 0 of 5 cent eindigen, dan kun je het wisselgeld met echte munten teruggeven.
5. Wisselgeld: doortellen vanaf de prijs
Wisselgeld uitrekenen is een minsom, maar de handigste manier is die van de marktkoopman: tel door van de prijs naar het bedrag dat je hebt gegeven. Op school heet dat aanvullen of het verschil bepalen. Een schrift kost € 1,80 en je betaalt met een briefje van 5 euro: van € 1,80 naar € 2 is 20 cent, en van € 2 naar € 5 is 3 euro. Je krijgt € 3,20 terug.
Bij lastigere bedragen tel je in handige sprongen: eerst naar het volgende tiental centen, dan naar de volgende hele euro en dan naar het betaalde bedrag. Een boek in de kringloopwinkel kost € 6,35 en je betaalt met een briefje van 10 euro:
Je krijgt € 3,65 terug. Controleren doe je met een plussom: € 6,35 + € 3,65 = € 10. Kinderen kennen dit doortellen van de lege getallenlijn bij optellen en aftrekken, en het gaat veel minder vaak mis dan € 10,00 − € 6,35 onder elkaar uitrekenen.
6. Boodschappensommen en geld als kommagetal
Verhaaltjessommen over boodschappen hebben meestal twee stappen: eerst het totaal, dan het wisselgeld. Bij de bakker kost een krentenbol € 0,45. Je koopt er 3 en betaalt met een munt van 2 euro. Eerst 3 × € 0,45 = € 1,35. Dan doortellen van € 1,35 naar € 2: 5 cent tot € 1,40 en 60 cent tot € 2. Je krijgt 65 cent terug.
Vanaf groep 5 en 6 rekenen kinderen met geld als kommagetal. Bij kolomsgewijs rekenen en cijferen zet je de komma's recht onder elkaar: € 12,75 + € 4,60 = € 17,35. Keersommen gaan vaak handig in stukjes: 3 tandenborstels van € 2,25 is 3 × € 2 = € 6 en 3 × € 0,25 = € 0,75, samen € 6,75. En de rekenmachine laat € 3,50 zien als 3,5 (of 3.5): dat is € 3,50, niet € 3,05.
Ook het bonnetje dat je krijgt als je lege flessen inlevert, is mooie oefenstof: welk bedrag aan statiegeld staat erop, en hoeveel gaat er daardoor van de boodschappen af?
7. Sparen, prijzen vergelijken en korting
Zakgeld en een spaarpot zijn het mooiste rekenmateriaal dat er is. Daan krijgt € 2,50 zakgeld per week en spaart voor een voetbal van € 15. Hoeveel weken duurt dat? 6 × € 2,50 = € 15, dus 6 weken. Een verhoudingstabel, die kinderen vanaf groep 4 en 5 kennen, maakt zo'n som overzichtelijk: 1 week € 2,50, 2 weken € 5, 6 weken € 15.
In de bovenbouw gaat het om de beste koop. Een pak van 6 drinkyoghurtjes kost € 2,40 en een pak van 4 kost € 1,80. Wat kost één drinkyoghurtje? € 2,40 : 6 = € 0,40 en € 1,80 : 4 = € 0,45, dus het grote pak is voordeliger. Dan komen de procenten: 25% is een kwart, dus 25% korting op € 80 is € 20 eraf. In groep 8 rekenen kinderen ook terug: een fiets gaat van € 150 naar € 105, dat is € 45 korting. 10% van € 150 is € 15, en € 45 is 3 keer zoveel, dus 30% korting. En op vakantie: stel dat je voor 1 euro 1,10 dollar krijgt (de echte koers verandert elke dag), dan is 50 euro 55 dollar.
Veelgemaakte fouten
- Grotere munt, meer geld: denken dat 5 cent meer waard is dan 10 cent, omdat de munt groter is.
- Munten tellen in plaats van waarden: een munt van 20 cent, een van 10 en een van 5 ‘3 cent’ noemen.
- Bedragen verkeerd schrijven: € 1,5 schrijven voor één euro en vijf cent (dat moet € 1,05 zijn; € 1,5 is € 1,50), een punt in plaats van een komma (€ 3.45), of euro's en centen door elkaar, zoals ‘€ 0,45 cent’.
- Euro's en centen optellen alsof het hetzelfde is: 2 euro en 50 cent bij elkaar ‘52’ noemen. Zet eerst alles in dezelfde eenheid: 2 euro is 200 cent, dus samen 250 cent, of € 2,50.
- Verkeerd afronden bij contant betalen: elk product apart afronden in plaats van alleen het totaal, of € 8,89 afronden op € 8,85 in plaats van € 8,90.
- Onder elkaar aftrekken met nullen: € 10,00 − € 6,35 betekent een paar keer achter elkaar lenen of inwisselen, en daar sluipen de fouten in. Doortellen is veiliger.
Spelletjes van vijf minuten voor thuis
- Winkeltje spelen. Zet prijskaartjes op speelgoed of op blikken uit de voorraadkast: hele euro's tot 10 euro voor kleuters, bedragen tot 20 euro met centen voor oudere kinderen. Om de beurt ben je de klant of de winkelier die wisselgeld teruggeeft.
- De spaarpot legen. Je kind schudt de spaarpot leeg, sorteert de munten op waarde en telt het totaal, te beginnen bij de munten die het meest waard zijn.
- Zo weinig mogelijk munten. Met hoeveel munten kun je € 1,95 betalen? (Vijf: 1 euro, 50 cent, twee keer 20 cent en 5 cent.)
- Boodschappen schatten. Je kind rondt in de supermarkt elk product af op hele euro's en houdt in het hoofd het totaal bij. Hoe dicht zat de schatting bij het bedrag op de kassabon?
- Vrijmarkt op Koningsdag. Verkoopt je kind oud speelgoed op de vrijmarkt, laat het dan zelf de prijzen bedenken (€ 0,50, € 1, € 2,50) en het wisselgeld teruggeven. Tel aan het eind samen de opbrengst.
De uitdaging van IndieOp de markt koopt Indie een pot bloemenhoning van € 3,45 en een zakje stuifmeel van € 1,99. Ze betaalt contant met een briefje van 10 euro, en de kraam rondt contante betalingen af op 5 cent. Hoeveel moet ze betalen, en hoeveel krijgt ze terug? Bekijk het antwoord
Eerst het totaal: € 3,45 + € 1,99 = € 5,44. Dat eindigt op 4 cent, dus contant wordt het afgerond naar € 5,45. Dan doortellen van € 5,45 naar € 10: 5 cent tot € 5,50, 50 cent tot € 6 en 4 euro tot € 10. Indie krijgt € 4,55 terug. Met zo weinig mogelijk munten zijn dat twee munten van 2 euro, een van 50 cent en een van 5 cent. Had ze gepind, dan had ze precies € 5,44 betaald.
Gratis werkbladen rekenen met geld
Print ze om thuis of in de klas te oefenen. Op de tweede pagina van elk werkblad staan de antwoorden.
Munten tellenGroep 4, Groep 5 · Euromunten optellenDownload pdf
WisselgeldGroep 5, Groep 6 · Terugkrijgen van € 1, € 2 en € 5Download pdfSnelle antwoorden
In groep 3 de munten van 1 en 2 euro en de briefjes van 5 en 10 euro. Aan het eind van groep 4 alle munten en briefjes: munten van 1 cent tot 2 euro en briefjes van 5 tot 200 euro. In de praktijk gebruik je munten vanaf 5 cent.
Met het euroteken vooraan, een komma en twee cijfers voor de centen: € 4,60. Een rond bedrag mag ook als € 4,- of € 4. Of je schrijft alles in centen: 460 cent. Beide tegelijk, zoals € 0,45 cent, klopt niet.
Winkels mogen het totaal van een contante betaling afronden op 0 of 5 cent. € 23,37 wordt dan € 23,35 en € 8,89 wordt € 8,90. Bij pinnen betaal je het precieze bedrag.
Doortellen van de prijs naar het betaalde bedrag, in handige sprongen: naar het volgende tiental centen, dan naar de volgende hele euro en dan naar het bedrag dat je gaf. Tel de sprongen bij elkaar op.
In groep 5 leren ze bedragen als € 4,95 schrijven. In groep 6 komen kommagetallen in het algemeen en keersommen met geld, en in groep 7 tellen ze kommagetallen onder elkaar op en trekken ze die af.
Oefenen met Indie
Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.