Leren › Groepen › Groep 1 en 2
Uitleg per groep
Rekenen in groep 1 en 2: wat leert je kind? (4 tot 6 jaar)
Groep 1 en 2 zijn de kleutergroepen van de basisschool, voor kinderen van 4 tot 6 jaar. Je kind mag naar school zodra het 4 is, en omdat er geen vaste startdatum is, komen er het hele jaar door nieuwe kleuters bij. Verplicht is school dan nog niet: de leerplicht begint op de eerste dag van de maand nadat je kind 5 jaar is geworden. Op veel scholen zitten groep 1 en 2 samen in één klas, groep 1/2. De oudste kleuters helpen de jongste, en de jongsten leren veel door naar de oudsten te kijken.
Een apart rekenuur met een rekenboek is er bij de kleuters meestal nog niet. Rekenen zit in alles wat ze doen: in de kring tellen hoeveel kinderen er vandaag zijn, in de bouwhoek een toren bouwen die net zo hoog is als die van een ander, in het winkeltje afrekenen, buiten stappen tellen of in de zandbak emmers vullen. De juf of meester werkt vaak met thema’s, zoals de herfst, de bakker of Sinterklaas, en laat kinderen spelen met dobbelstenen, blokken, rijgkralen, de kralenplank en hun eigen vingers.
Waar kleuters aan werken
Het belangrijkste wat kleuters bij rekenen leren, is getalbegrip: echt snappen wat getallen betekenen, en ze niet alleen opzeggen. Kleuterleerkrachten onderscheiden vaak drie stappen. Eerst komt akoestisch tellen: het rijtje opzeggen, zoals een versje. Dan synchroon tellen: bij elk ding precies één getal zeggen, zonder iets over te slaan of dubbel te tellen. Wijzen, aantikken of opzijschuiven helpt daarbij. En ten slotte resultatief tellen: weten dat het laatste getal dat je noemt, zegt hoeveel het er zijn. Een kleuter die keurig tot 20 kan tellen, is daar nog niet altijd. Bij de meeste kinderen valt dat kwartje in groep 1 en 2.
Daarnaast leren kleuters kleine hoeveelheden in één keer zien, zonder te tellen. Aan het eind van groep 2 lukt dat de meeste kinderen tot 6, bijvoorbeeld met de stippen op een dobbelsteen of met vingers: een hele hand is 5, en een hand en nog een vinger is 6. Zulke vaste beelden heten in de klas ‘structuren’, en ze zijn later de basis om vlot te rekenen.
De rekendoelen voor de kleuters
Er is geen landelijk lesprogramma per groep. De overheid legt in de kerndoelen vast wat elke basisschool moet aanbieden, maar die gaan over de hele basisschool. Wat kleuters aan het eind van groep 2 ongeveer beheersen, staat in de tussendoelen rekenen-wiskunde van SLO, het landelijke expertisecentrum voor het curriculum. Scholen gebruiken die als richtlijn en bepalen zelf hoe ze eraan werken, dus het precieze moment verschilt per school. Dit zijn de doelen voor de kleuters, per onderwerp.
Tellen en getalbegrip
- De telrij opzeggen tot ten minste 20, en verder tellen vanaf elk getal tot 20: ‘zeven, acht, negen…’. Terugtellen vanaf een getal onder de 10: ‘acht, zeven, zes…’.
- Hoeveelheden tot ten minste 12 schatten, tellen en laten zien, met spullen of op de vingers.
- Hoeveelheden tot 20 vergelijken met de woorden meer, minder, evenveel, meeste en minste.
- Kleine hoeveelheden tot 6 herkennen zonder te tellen.
- De cijfers 0 tot en met 10 lezen, en cijfer, woord en hoeveelheid aan elkaar koppelen: 4, ‘vier’ en vier blokjes horen bij elkaar.
- De rangtelwoorden tot 10: eerste, tweede, derde, tot en met tiende. Bijvoorbeeld in de rij als de klas naar buiten gaat.
Na tien hapert het tellen vaak even. Elf en twaalf hebben een eigen naam, en bij dertien tot en met negentien hoor je het kleine getal eerst: veertien is ‘vier en tien’. Dat omdraaien komt later terug bij eenentwintig en zevenenveertig, dus het helpt als kleuters er al vaak mee spelen.
Erbij, eraf en verdelen
- Eenvoudige problemen met erbij en eraf oplossen met echte spullen, met hoeveelheden tot ten minste 12: ‘Je hebt 5 knikkers en je krijgt er 3 bij. Hoeveel heb je er nu?’ Je kind legt ze neer en telt: 8.
- Eerlijk verdelen, tot 12: ‘Verdeel deze 6 koekjes over jou en je zus.’ Ieder krijgt er 3. Dat is de eerste stap naar delen.
- Ontdekken dat je een hoeveelheid op meer manieren in twee groepjes kunt verdelen: 5 is 4 en 1, maar ook 3 en 2. Daar spelen veel kleutergroepen al mee; in groep 3 heet het splitsen.
Dit gaat allemaal handelend: met blokjes, vingers en spullen, en door erover te praten. De tekens +, − en = en sommen op papier komen pas in groep 3.
Meten en wegen
- Woorden om te vergelijken: lang en kort, groot en klein, vol en leeg, zwaar en licht, en ook langer, het langst en zwaarder.
- Meten met een ‘natuurlijke maat’: de tafel is 6 handen lang, de gang 12 voeten. Met een beker tellen hoeveel water er in een emmer past, of met een balans kijken wat het zwaarst is.
- Zien dat dingen bij elkaar horen: hoe groter je bent, hoe groter je kleren en je schoenen.
Tijd
- De woorden dag en nacht, vandaag en morgen, straks, eerder en later.
- Gebeurtenissen in de goede volgorde zetten. Op veel scholen hangen dagritmekaarten die laten zien wat er na de kring en het fruit eten komt.
- Klokkijken hoort nog niet bij de kleuterdoelen: de hele uren komen in groep 3.
Rekenen met geld
- Weten dat dingen geld kosten en dat je in de winkel moet betalen.
- Gepast betalen met munten van 1 euro, voor bedragen onder de 10 euro. Kost een brood in het winkeltje € 3, dan geef je drie munten van 1 euro.
- Tellen hoeveel geld het samen is, tot tien munten van 1 euro.
Meetkunde en vormen
- Woorden voor de plek van iets: voor, achter, naast, in, op, boven en onder, en daarna ook links, rechts, tussen en tegenover.
- Een route volgen of beschrijven, bijvoorbeeld in het speellokaal of op het schoolplein.
- Een bouwwerk van blokken precies nabouwen.
- De vormen cirkel, driehoek, vierkant en rechthoek herkennen en benoemen.
Patronen
- Patronen naleggen, voortzetten en zelf bedenken: op de kralenplank, met rijgkralen of met mozaïek. Rood, blauw, rood, blauw… of groot, klein, klein, groot, klein, klein…
- Vertellen wat er steeds terugkomt, en zien waar een patroon niet klopt.
Tabellen en grafieken
- Hoeveelheden vergelijken door spullen in rijen naast elkaar te leggen. Leggen alle kinderen hun knuffel bij de rij ‘beer’, ‘konijn’ of ‘hond’, dan zie je meteen welke rij het langst is. Zo’n rij is de voorloper van het beelddiagram.
Aan het eind van groep 2 kunnen de meeste kinderen…
- tellen tot 20, en verder tellen vanaf een getal onder de 20
- een groepje van ongeveer 12 dingen goed tellen en zeggen hoeveel het er zijn
- tot 6 in één keer zien hoeveel het er zijn, zoals op een dobbelsteen
- zeggen welke groep meer of minder heeft, of dat ze evenveel hebben
- de cijfers 0 tot en met 10 herkennen en aan een hoeveelheid koppelen
- met spullen of vingers iets erbij doen of weghalen, en een paar dingen eerlijk verdelen
- dingen vergelijken op lengte, grootte en gewicht
- met munten van 1 euro een klein bedrag gepast betalen
- een cirkel, driehoek, vierkant en rechthoek benoemen en een eenvoudig patroon voortzetten
- woorden als voor, achter, naast, boven en onder goed gebruiken
Woorden die je kind hoort
Deze woorden hoort je kind in de kleutergroep. Gebruik ze thuis ook: dat helpt echt.
| Woord | Wat het betekent |
|---|---|
| Tellen | De getallen op volgorde zeggen, één getal bij elk ding. |
| Hoeveel? | Het aantal dingen in een groep. Als je telt, is het het laatste getal dat je zegt. |
| Meer, minder, evenveel | Twee groepen vergelijken. ‘Evenveel’ betekent dat er in allebei hetzelfde aantal zit. |
| Meeste, minste | De groep met het grootste of het kleinste aantal. |
| Erbij, eraf | Er komen dingen bij of er gaan dingen weg: de eerste stap naar plus en min. |
| Eerlijk verdelen | Iedereen krijgt evenveel. |
| Eerste, tweede, laatste | Op welke plek iets of iemand staat, in een rij of bij een wedstrijdje. |
| Langer, korter, zwaarder, lichter | Woorden om dingen te vergelijken. |
| Vol, leeg | Er past niets meer in, of er zit niets in. |
| Patroon | Iets wat steeds op dezelfde manier terugkomt, zoals rood, blauw, rood, blauw. |
Zijn er toetsen in groep 1 en 2?
Nee. Kleuters maken geen verplichte toetsen. Elke school bepaalt zelf hoe ze de ontwikkeling van kleuters volgt, meestal door goed te kijken terwijl ze spelen en werken, en dat vast te leggen in een observatiesysteem. Kan je kind tot 20 tellen? Ziet het zonder tellen dat er vijf stippen op de dobbelsteen staan? Legt het bij elk bord precies één vork? Wat de juf of meester ziet, hoor je bij het oudergesprek. Er valt dus niets voor te oefenen. Met de toetsen van het leerlingvolgsysteem beginnen scholen meestal pas in groep 3; daarover lees je meer in rekentoetsen op de basisschool.
Op weg naar groep 3
Wanneer je kind naar groep 3 gaat, hangt af van hoe ver het is, niet alleen van de verjaardag. Omdat kleuters op verschillende momenten in het jaar beginnen, zit de een wat langer in de kleutergroepen dan de ander. Bij kinderen die in oktober, november of december jarig zijn, kijkt de school vaak extra goed of een kortere of juist een langere kleuterperiode beter past. Dat besluit neemt de school, en meestal bespreekt de juf of meester het eerst met jou.
In groep 3 wordt rekenen een echt vak: tellen tot 100, de splitsingen tot en met 10 uit het hoofd en plus- en minsommen tot 20. Wat je kind daarbij het meest helpt, is geen stapel werkbladen, maar een stevig begrip van de getallen tot 10: weten hoeveel er in een groepje zitten, hoeveelheden kunnen vergelijken en zien dat 6 hetzelfde is als 5 en 1, of 4 en 2, of 3 en 3. Hoe het daarna verdergaat, lees je in splitsen en sommen tot 20.
Zo help je thuis
- Tel echte dingen. De traptreden, de knopen van een jas, de pepernoten op tafel. Vraag na het tellen: ‘Hoeveel zijn het er dan?’
- Speel spelletjes met een dobbelsteen. Ganzenbord en andere bordspellen zijn ideaal: na een tijdje ziet je kind de stippen zonder ze te tellen.
- Verstop en raad. Leg 5 blokjes neer, zet een beker over een paar heen en vraag hoeveel er onder de beker zitten. Zo ontdekt je kind op hoeveel manieren je 5 kunt maken.
- Laat je kind verdelen. ‘Wil jij deze 8 druiven eerlijk verdelen tussen jou en mij?’ Ieder krijgt er 4. Probeer daarna eens 7: wat doe je met die ene die overblijft?
- Tel samen vooruit en terug. Tot 20 tellen bij verstoppertje oefent het verder tellen, en aftellen voor een raket (‘tien, negen, acht… lancering!’) oefent het terugtellen.
- Zoek vormen buiten. Verkeersborden zijn rond, driehoekig of vierkant, ramen zijn vaak rechthoeken, en een fietswiel is een cirkel.
- Speel winkeltje. Met munten van 1 euro en wat spullen met een prijskaartje: ‘Die appel kost € 2. Hoeveel munten geef je mij?’
Meer ideeën vind je in rekenen in het dagelijks leven en je kind helpen met rekenen.
Vraag na het tellen van een groepje: ‘Hoeveel zijn het er?’ Begint je kind dan opnieuw bij 1, dan heeft het nog niet door dat het laatste getal zegt hoeveel het er zijn. Op deze leeftijd is dat heel normaal. Tel samen, leg nadruk op het laatste getal (‘één, twee, drie, vier… vier auto’s!’) en vraag het een andere dag nog eens.
De uitdaging van IndieIndie heeft 9 honingdruppels. Ze wil ze eerlijk verdelen tussen zichzelf en haar twee vriendinnen, de vlinder en het lieveheersbeestje. Hoeveel druppels krijgt ieder? Bekijk het antwoord
Ieder krijgt 3 druppels. Deel ze uit zoals kleuters dat in de klas doen: één voor Indie, één voor de vlinder, één voor het lieveheersbeestje, en dan weer van voren af aan. Na drie rondjes zijn alle druppels op en heeft ieder er 3. Tel ter controle alles weer bij elkaar: 3 en 3 en 3 is samen 9. Met 9 knopen of pepernoten kan je kind het zelf naspelen.
Gratis werkbladen voor groep 1 en 2
Kleuters leren het best met echte spullen, maar deze werkbladen zijn fijn voor een rustig moment. Op de tweede bladzijde staan steeds de antwoorden.
Splitsen van 10Groep 1 en 2, Groep 3 · Welke twee getallen maken samen 10?Download pdfSnelle antwoorden
Nee. Kleuters beginnen allemaal op een ander punt. Sommige kinderen tellen al tot 10, andere nog niet. Juist daarom zijn er twee kleuterjaren: daarin oefenen kinderen spelenderwijs met tellen, vergelijken en ordenen.
De tussendoelen van SLO gaan uit van de telrij tot ten minste 20, en van het goed tellen van hoeveelheden tot ten minste 12. Belangrijker dan hoe ver je kind kan opzeggen, is dat het de kleine getallen echt begrijpt: hoeveel het er zijn en hoe je ze vergelijkt.
Het doel voor kleuters is de cijfers 0 tot en met 10 lezen en herkennen, en ze aan een hoeveelheid koppelen. Veel kleuters schrijven al wel wat cijfers, soms in spiegelbeeld, zoals een omgedraaide 3. Op deze leeftijd is dat heel normaal.
Dat verschilt per kind en per school. Er is geen vaste verjaardagsregel: de school kijkt vooral naar hoe ver je kind is, ook met rekenen, spelen en zelfstandig werken. Soms past een kortere kleuterperiode, soms een langere. Vraag gerust aan de juf of meester hoe de school dat aanpakt.
Oefenen met Indie
Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.