Leren › Leerkrachten › Differentiëren bij rekenen

Voor leerkrachten

Differentiëren bij rekenen

In de korf werken alle bijen aan dezelfde honingraat, maar niet elke bij doet hetzelfde werk. Zo kan een rekenles ook: één opdracht, en heel veel manieren om erin te komen.

Differentiëren betekent dat elke leerling in je groep iets leert van de les: wie de stof lastig vindt, krijgt de steun die nodig is, en wie het meteen snapt, krijgt echte uitdaging. Lange tijd kwam dat bij rekenen neer op drie niveaugroepjes, elk in een eigen tempo, en een plusboek voor de snelle rekenaars. Veel scholen kiezen nu voor iets anders: de hele groep werkt aan hetzelfde lesdoel, met de steun en de uitdaging ingebouwd in één les. Hieronder lees je hoe je dat aanpakt, met ideeën die je morgen al kunt gebruiken.

Convergent differentiëren: de groep bij elkaar houden

Bij convergente differentiatie werken alle leerlingen aan dezelfde leerstof en hetzelfde minimumdoel. Leerlingen die extra tijd nodig hebben, krijgen meer instructie en oefening; leerlingen die een doel snel beheersen, krijgen rijkere opdrachten over hetzelfde onderwerp in plaats van alvast het volgende blok. Dat sluit goed aan bij de referentieniveaus: het fundamentele niveau 1F is het doel voor vrijwel iedereen aan het eind van groep 8, en het streefniveau 1S is haalbaar voor veel leerlingen.

In de les ziet dat er meestal zo uit:

Instructie op drie niveaus en het IGDI-model

Op veel scholen is het IGDI-model (interactieve gedifferentieerde directe instructie) de basis van de rekenles. De fases verschillen wat per bron, maar de kern is steeds: terugblikken op wat leerlingen al weten, het lesdoel benoemen, voordoen en hardop denken, samen oefenen en kijken of het lukt, dan zelfstandig verwerken, en afsluiten met de vraag of het doel gehaald is.

Tijdens die les werk je met drie instructieniveaus:

Leg die niveaus niet voor een heel jaar vast. Een leerling die moeite heeft met de tafels, kan bij klokkijken prima met verkorte instructie toe. Twee sommen op het wisbordje aan het begin van de les vertellen je vaak al wie er vandaag aan de instructietafel hoort. Veel scholen leggen de instructiebehoeften per periode vast in een groepsplan of groepsoverzicht; hoe uitgebreid, spreek je binnen je school af.

Materiaal: van handelen naar formeel rekenen

In de Nederlandse rekendidactiek is het handelingsmodel een bekend hulpmiddel: leerlingen handelen eerst met echte dingen of met materiaal, stellen het daarna voor met een tekening of een model, en rekenen ten slotte formeel, met alleen getallen en tekens. Lukt het formeel nog niet, dan ga je een laag terug. Materiaal dat in elke groep goed van pas komt:

Materiaal is niet alleen voor leerlingen die het moeilijk hebben. Vraag een leerling die vlot cijfert om 52 − 27 met MAB-materiaal te laten zien. Er liggen 5 staafjes en 2 blokjes. Om 7 blokjes weg te halen, moet één staafje worden ingewisseld voor 10 blokjes: nu zijn het 4 staafjes en 12 blokjes. Gaan er 2 staafjes en 7 blokjes af, dan blijven er 2 staafjes en 5 blokjes over: 25. Vaak blijkt dat een leerling de stappen van het cijferen kent, maar niet kan uitleggen waarom ‘lenen’ werkt.

De tip van Indie

Zet hetzelfde materiaal op elke tafel, elke les, en gebruik het zelf als je iets voordoet. Als het rekenrek en de MAB-blokjes in jouw klas de normale manier zijn om na te denken, pakken de leerlingen die ze het hardst nodig hebben ze vanzelf, zonder dat ze zich apart gezet voelen.

Opdrachten met een lage drempel en een hoog plafond

Een opdracht met een lage drempel en een hoog plafond kan iedereen beginnen, maar je kunt er ver mee komen. Zo werkt de hele groep aan hetzelfde probleem, en komt elke leerling vanzelf op een eigen niveau uit.

Steun die weer weg mag

Goede steun is tijdelijk: ze helpt een leerling iets te doen wat nog niet alleen lukt, en het doel is altijd dat ze weer verdwijnt. Steun die bij rekenen goed werkt:

Spreek vooraf af wanneer de steun weggaat: na drie opgaven, na een controle met het wisbordje of in de volgende les. Anders wordt een hulpmiddel ongemerkt iets waar een leerling niet meer zonder kan.

Passend onderwijs: samen met de intern begeleider

Binnen passend onderwijs krijgen veel leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte die ondersteuning in hun eigen groep. Daar sta je niet alleen voor. De intern begeleider (de IB’er) kijkt met je mee naar de resultaten van de LVS-toetsen en de methodetoetsen, denkt mee over een aanpak en kan waar nodig een remedial teacher of een onderwijsassistent inschakelen. Bij een vermoeden van ernstige rekenproblemen of dyscalculie zet je samen met de IB’er de volgende stappen.

Laat de extra steun zoveel mogelijk draaien om de taak van de rest van de groep. Is de groep bezig met cijferend aftrekken, dan maakt die leerling dezelfde sommen met MAB-materiaal, niet een werkblad over iets anders. Een goed plan voor extra oefening is klein en concreet: een paar dingen (de splitsingen tot en met 10, de tafels, positiewaarde) in korte oefenmomenten, een paar keer per week. Kijk na een paar weken of het doel gehaald is. Werkt er iemand met je mee, zoals een onderwijsassistent of remedial teacher, geef die dan je weekplanning, zodat het juiste materiaal klaarligt.

Verrijking en de plusklas

Voor snelle rekenaars werkt het omgekeerd. Wat veel scholen compacten noemen, betekent dat een leerling minder herhalingsopgaven maakt; de tijd die zo vrijkomt, gaat naar verrijking. Kies daarbij voor meer diepte, meer ‘waarom?’ en ‘klopt dat altijd?’, en open problemen in plaats van alvast het boek van de volgende groep. Een plusklas is een mooie aanvulling, maar ook in je eigen les verdienen deze leerlingen elke dag uitdaging.

Handig daarbij zijn uitdagingskaarten: een paar algemene opdrachten op kaarten, waaruit je kiest wat bij de les past.

Een voorbeeld bij een les over optellen tot 100: ‘Maak met de cijfers 2, 3, 4 en 5, elk één keer, twee getallen van twee cijfers. Wat is het grootste totaal dat je kunt maken? En het kleinste?’ Het grootste is 95 (bijvoorbeeld 53 + 42), omdat de 5 en de 4 op de plek van de tientallen moeten. Het kleinste is 59 (bijvoorbeeld 24 + 35), met de 2 en de 3 als tientallen. Een leerling die ontdekt dat elke combinatie met dezelfde tientallen hetzelfde totaal geeft, redeneert over positiewaarde, en is niet alleen maar aan het optellen.

Puzzels voor snelle werkers

Werk voor wie eerder klaar is, moet de moeite waard zijn, niet meer van hetzelfde. Puzzels passen daar goed bij: leerlingen oefenen de basisvaardigheden en moeten tegelijk nadenken.

Snelle antwoorden

Moet ik mijn leerlingen in niveaugroepen zetten?

Veel scholen laten leerlingen bij rekenen gemengd zitten en geven flexibel extra instructie aan wie die in die les nodig heeft. Wat je school ook kiest: houd de groepjes beweeglijk. Een leerling die worstelt met breuken, kan bij meten en wegen juist vlot zijn.

Wat doen leerlingen die snel klaar zijn?

Ze gaan dieper in op hetzelfde onderwerp: met een uitdagingskaart, een open probleem of een puzzel. Geef ze liever niet nog een rij dezelfde sommen; dat voelt al snel als straf voor vlot werken.

Hoe help ik een leerling die ver achterloopt?

Gebruik materiaal, houd waar het kan hetzelfde lesdoel aan als de rest van de groep, en plan korte momenten voor de basiskennis die nog ontbreekt, zoals de splitsingen of de tafels. Overleg met de IB’er. De pagina’s over de eerdere groepen helpen je om precies te zien waar de gaten zitten.

Is materiaal niet kinderachtig in groep 7 en 8?

Nee. Breukenstroken, MAB-materiaal en het strokenmodel blijven nuttig tot ver in de bovenbouw. Gebruik ze zelf als je iets voordoet, dan zien oudere leerlingen ze als gereedschap en niet als speelgoed.

Oefenen met Indie

Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.

Verder lezen