Voor ouders
Als je kind zegt: ‘Ik kan niet rekenen’
‘Ik kan niet rekenen.’ ‘Ik ben slecht in sommen.’ ‘Ik haat getallen.’ Als je kind zoiets zegt, doet dat pijn, zeker als je er op school zelf ook zo over dacht. Het goede nieuws: hoe een kind zich bij rekenen voelt, kan veranderen, en de volwassenen om het kind heen kunnen daar veel aan doen. Hier lees je hoe je rekenangst herkent en wat je thuis kunt doen.
Wat is rekenangst?
Rekenangst is spanning, onrust of zelfs paniek zodra er gerekend moet worden. Dat is iets anders dan rekenen moeilijk vinden. Ook kinderen die prima kunnen rekenen, kunnen er bang voor zijn, en dan is het juist die spanning die het rekenen blokkeert. In paniek schiet het antwoord op een tafelsom je minder snel te binnen, en lukt het veel moeilijker om een som stap voor stap te doordenken. Gaat het dan mis, dan lijkt dat te bewijzen dat het ‘niet kan rekenen’. Dat is de vicieuze cirkel die je samen wilt doorbreken.
Signalen om op te letten
- Je kind zegt ‘dat kan ik niet’ voordat het iets heeft geprobeerd, of geeft snel op.
- Buikpijn, tranen of boze buien bij het rekenhuiswerk, of op de dag van een rekentoets.
- Sommen afraffelen om er maar vanaf te zijn, of zomaar een antwoord invullen.
- Dichtklappen bij sommen die je kind normaal wel kan, vooral onder tijdsdruk, zoals bij het flitsen in de klas.
- Rekenen ontwijken: het rekenschrift ‘vergeten’, of net naar de wc moeten als de rekenles begint.
- Zich steeds vergelijken met anderen: ‘Iedereen was allang klaar.’
Elk kind heeft weleens een slechte dag. Pas als deze signalen steeds terugkomen, is het tijd om er iets mee te doen.
Ook op school telt de houding
Hoe een kind tegenover rekenen staat, is geen bijzaak. In de kerndoelen voor rekenen en wiskunde van 2026 (wat elke basisschool moet aanbieden) staat er zelfs een apart doel over: ‘De leerling ontwikkelt een wiskundige attitude.’ Daarbij hoort dat kinderen zien waar rekenen goed voor is, nieuwsgierig en kritisch naar getallen leren kijken en nadenken over hun eigen aanpak en die van anderen. Aan die houding kun je thuis veel bijdragen.
Andere woorden: ‘nog niet’
Veel kinderen denken dat je een rekenknobbel hebt of niet. Leerkrachten proberen dat idee te vervangen door een ander: iedereen wordt beter in rekenen door te oefenen, en moeite hebben met iets hoort bij leren. Het is geen bewijs dat je het niet kunt.
Thuis kun je daarbij helpen met twee kleine woordjes: ‘nog niet’.
- ‘Ik snap breuken niet’ wordt ‘Ik snap breuken nog niet.’
- ‘Ik ken de tafel van 7 niet’ wordt ‘Ik ken de tafel van 7 nog niet, maar die van 2, 5 en 10 wel.’
Andere zinnen die helpen:
- ‘Dit is lastig, ja. Van lastige dingen leren je hersenen het meest.’
- ‘Welk stukje lukt wel?’
- ‘Van fouten leer je wat je nog moet oefenen.’
- ‘Weet je nog dat je de splitsingen tot 10 moeilijk vond? Nu ken je ze uit je hoofd.’
- ‘Leg eens uit hoe je het hebt aangepakt.’ Vaak ziet een kind dan zelf waar het misging.
En een paar zinnen die je beter kunt vermijden, hoe lief ook bedoeld: ‘Niet erg, niet iedereen heeft een rekenknobbel’, ‘Kom op, deze is toch niet moeilijk’ (als het niet moeilijk is en het lukt je kind toch niet, hoe voelt dat dan?) en ‘Schiet eens op.’
Hang een ‘Dit kan ik al’-lijst op de koelkast. Lukt je kind iets wat het eerst moeilijk vond, schrijf het er dan op, met de datum erbij. Zegt je kind weer ‘ik kan niet rekenen’, lees de lijst dan samen door.
Je eigen gevoel bij rekenen
Veel volwassenen voelen zich onzeker bij rekenen, vaak door de manier waarop ze het zelf hebben geleerd. Daar hoef je je niet voor te schamen, maar kinderen pikken veel op van wat wij zeggen. Hoort je kind ‘ik was vroeger ook slecht in rekenen’, dan kan het denken dat het in de familie zit en dat oefenen toch geen zin heeft.
Wat helpt:
- Let op wat je zegt. Vervang ‘ik kan echt niet rekenen’ door ‘rekenen vond ik op school lastig, maar ik leer nog steeds bij’.
- Laat zien dat je rekent, en dat je daar rustig de tijd voor mag nemen: ‘Even denken. Voor het feestje hebben we 3 pakjes van 6 bekertjes nodig, dus dat zijn 18 bekertjes.’
- Zoek het samen uit. Het is goed voor je kind om je te horen zeggen: ‘Dat weet ik niet zeker. Laten we het uitrekenen.’
- Werk aan je eigen zelfvertrouwen. In zo leert je kind rekenen lees je hoe het rekenrek, rijgen, splitsen en de hapmethode werken, en een dagelijkse puzzel voor volwassenen kan getallen ook voor jou wat vriendelijker maken.
Oefenen zonder druk: spelletjes en echte situaties
Een kind met rekenangst heeft veel rekenen nodig dat niet als een toets aanvoelt: zonder klok, zonder cijfers en zonder publiek. Zo wordt rekenen weer veilig, en misschien zelfs leuk.
- Bordspellen en kaartspellen. Bij mens-erger-je-niet, ganzenbord en domino tellen en rekenen kinderen zonder dat iemand het ‘rekenen’ noemt. Bij eenentwintigen tel je je kaarten op en probeer je zo dicht mogelijk bij 21 te komen: een 9, een 8 en een 5 is samen 22, en dan ben je eroverheen.
- Dobbelspelletjes. Gooi om de beurt met twee dobbelstenen en tel de ogen op bij je eigen totaal. Wie het eerst 50 heeft, wint. Voor oudere kinderen: vermenigvuldig de twee getallen in plaats van ze op te tellen, en speel tot 100.
- Laat je kind de juf of meester zijn. Vraag of het je uitlegt hoe ‘rijgen’ werkt, of iets anders uit de klas. Uitleggen is heel iets anders dan overhoord worden.
- Rekenen in het dagelijks leven. Koken, boodschappen doen op de markt of uitrekenen hoe laat je bij opa en oma bent: allemaal rekenen met een echt doel. In rekenen in het dagelijks leven vind je nog veel meer ideeën.
- Begin met succes. Start met iets wat je kind al kan, en zet dan één klein stapje verder.
- Laat de klok voorlopig weg. In Nederland bestaat geen landelijke tafeltoets met een tijdslimiet, dus er is geen haast. Vlot rekenen (wat de juf ‘automatiseren’ noemt) bouw je het best op als een kind zich zeker voelt; een stopwatch ernaast maakt de spanning vaak alleen groter.
Puzzels helpen ook, zolang ze niet af hoeven: even vastzitten en dan ineens zien hoe het zit, is een van de fijnste gevoelens bij rekenen.
Ziet je kind vooral op tegen toetsen? De LVS-toetsen, die veel ouders ‘de Cito-toetsen’ noemen, zijn geen examens waarvoor je slaagt of zakt: ze laten zien hoe je kind zich ontwikkelt. En bij de doorstroomtoets in groep 8 is het advies van de school leidend. Je leest er alles over in de rekentoetsen uitgelegd.
Wanneer stap je naar de juf of meester?
Je mag altijd even binnenlopen bij de juf of meester van je kind, en het is zeker verstandig als:
- de zorgen langer dan een paar weken duren, of erger worden;
- je kind buikpijn krijgt of niet naar school wil als er een rekentoets aankomt;
- huiswerk vaak in tranen eindigt, ook als je het kort houdt;
- je denkt dat je kind moeite heeft met het rekenen zelf, en niet alleen met de spanning.
De leerkracht ziet je kind in de klas vaak van een andere kant en kan vertellen wat er tijdens de rekenles gebeurt. Soms kan de school extra hulp bieden, zoals verlengde instructie in een klein groepje. Blijf je je zorgen maken, dan kan de leerkracht de intern begeleider (de IB’er) erbij halen, die op school de extra ondersteuning coördineert. Je kunt daar ook zelf om vragen.
Een klein aantal kinderen heeft dyscalculie: een specifieke en hardnekkige moeite met getallen en rekenen, die blijft bestaan ondanks goede hulp. Vindt je kind de basis heel moeilijk, ook na veel oefenen en extra hulp, bespreek het dan met de leerkracht. Veel scholen werken bij ernstige rekenproblemen en dyscalculie met een vast protocol; de IB’er kan je vertellen hoe dat bij jullie gaat. Of het echt om dyscalculie gaat, stelt een gespecialiseerde psycholoog of orthopedagoog vast.
Snelle antwoorden
Nee. Kinderen van elk niveau kunnen bang zijn voor rekenen. Door de spanning wordt nadenken moeilijker, dus een kind met rekenangst laat vaak minder zien dan het eigenlijk kan.
Stop er die dag mee en laat het de juf of meester weten met een kort briefje of berichtje. Bespreek daarna samen hoe het huiswerk beter haalbaar wordt.
Ja, bij de meeste kinderen wel. Met rustige steun, veel kleine succesjes en positieve woorden thuis en op school groeit het zelfvertrouwen meestal flink.
Leg uit dat de school al vóór de toets een voorlopig schooladvies geeft, en dat een lagere toetsuitslag dat advies niet omlaag haalt. Valt de toets hoger uit, dan moet de school het advies in principe naar boven bijstellen. Extra stampen met oefentoetsen helpt meestal niet; houd het rekenen thuis liever licht en ontspannen.
Oefenen met Indie
Beequation Kids maakt van rekensommen honingraatpuzzels. Zit je kind even vast, dan geeft Indie de bij een tip. Zonder advertenties en zonder gegevensverzameling.